Alle soorten › Zangvogels › Kraaiachtigen › Bruine gaai

Bruine gaai | Cyanocorax morio

Brown Jay | Chara papán

De bruine gaai is de grootste gaai van Noord-Amerika: ruim veertig centimeter, geheel donkerbruin en zonder blauw in het verenkleed. Hij hoort bij de Golfhelling van Mexico en Midden-Amerika en bereikte de Verenigde Staten alleen in een kort stuk van de Rio Grande in Starr County, Texas, waar hij inmiddels nog maar sporadisch wordt gezien.

Bruine gaai (Cyanocorax morio)
Foto: wildreturn — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

De stem is luid en laag: een ver dragende pie-ah, die naar situatie wordt gevarieerd in toonhoogte en lengte. Groepen roepen door elkaar bij het opvliegen en bij verstoring, wat een schallend koor oplevert dat door een heel dal te horen is. Daarnaast klinkt een hard, kort alarm bij een roofvogel en, bij sommige vogels, een hol ploppend geluid dat met de keelzak wordt gemaakt. Zang in de gewone zin ontbreekt.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een grote, langstaartige gaai. Noordelijke vogels, waaronder die van Texas en Noordoost-Mexico, zijn vrijwel geheel donkerbruin met lichtere onderdelen; zuidelijke vogels hebben een witte buik en brede witte staartpunten. Volwassen vogels hebben een zwarte snavel, zwarte poten en een zwarte oogring. Jonge vogels hebben een gele snavel, gele poten en een gele oogring, die in de loop van twee tot drie jaar zwart worden; in een groep zitten daardoor vogels met gele en met zwarte snavels door elkaar. In de vlucht toont hij brede, ronde vleugels en een lange staart, en vliegt hij zwaarder en meer golvend dan andere gaaien.

Verwarrings­soorten

Binnen het noordelijke deel van het areaal is er geen andere geheel bruine gaai, dus verwarring is vooral een kwestie van formaat inschatten. De incagaai, in Texas eveneens in het Rio Grande-dal, is kleiner en groen met een geel-zwarte kop. Vliegend en tegen het licht kan een bruine gaai op een kraai lijken, maar de staart is langer en meer wigvormig en de vleugelslag trager. Bij jonge vogels is de gele snavel doorslaggevend: geen andere grote vogel van dit gebied combineert een egaal bruin kleed met een gele snavel en gele poten. Tot voor kort stond de soort in een eigen geslacht Psilorhinus.

Leefgebied

Open bos, bosrand en secundair bos in het laagland, en verder de galerijbossen langs rivieren, koffie- en cacaoaanplant met schaduwbomen, tuinbouwpercelen en dorpsranden. In Texas ging het om het mesquite (doornige peulstruik van het zuidwesten, vormt dichte bosjes)- en ebbenbos langs de Rio Grande met opgaande bomen. De soort foerageert zowel in de kruinen als op de grond en eet insecten, andere ongewervelden, hagedissen, nectar, vruchten en eieren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel van de Golfhelling van Mexico, van Tamaulipas zuidwaarts door San Luis Potosí, Veracruz, Oaxaca, Tabasco en Chiapas, en verder door Belize, Guatemala, Honduras en Nicaragua tot in West-Panama; op de Pacifische hellingen schaarser. In de Verenigde Staten werd het eerste nest in 1974 ten westen van Roma gevonden; in 1975 zaten er zo'n 40 tot 50 vogels langs de Rio Grande tussen Falcon Dam en Fronton, met jaarlijkse broedgevallen. Na het veldwerk voor de Texas Breeding Bird Atlas (de Texaanse broedvogelatlas) van 1987 tot 1992 waren er minder dan een dozijn over. De resterende vogels rond Chapeño en Salineño steken heen en weer over de rivier; waarnemingen in Texas zijn tegenwoordig zeldzaam en trekken veel waarnemers.

  • Jaarrond
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Aan de Amerikaanse kant is de kans klein en beperkt tot Salineño en Chapeño in Starr County, waar de voederplaats bij de rivier het beste uitzicht geeft. Wie de soort met zekerheid wil zien, zoekt hem in Noordoost-Mexico of Belize, langs bosranden en boomgaarden. Luister op de pie-ah: groepen laten zich vrijwel altijd eerst horen en verplaatsen zich dan een voor een over een open plek.

Staat van instandhouding

Wereldwijd staat de soort als niet bedreigd (LC) te boek, met een groot areaal en hoge aantallen in Midden-Amerika; hij profiteert er van secundair bos en van beplanting met schaduwbomen. De Amerikaanse populatie is een ander verhaal: die was altijd klein en aan de uiterste noordrand van het areaal gelegen, en is sinds de jaren zeventig vrijwel verdwenen. De directe oorzaken zijn niet vastgesteld; genoemd worden het verlies van rivierbegeleidend bos langs de Rio Grande, de gewijzigde waterhuishouding van de rivier en het geringe uitgangsaantal.

Wetenschappelijke naam

Cyanocorax morio | (Wagler, 1829)

Johann Georg Wagler beschreef de soort in 1829 als Pica morio, naar materiaal uit Mexico dat Stresemann in 1954 aan Alvarado in Veracruz toeschreef; omdat ze sindsdien van geslacht is veranderd, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Cyanocorax komt van het Griekse kuanos 'donkerblauw' en korax 'raaf'. Het soortdeel morio is Latijn voor 'nar' en werd in vogelnamen gebruikt voor donkere, zwartbruine soorten. De soort stond lang in het aparte geslacht Psilorhinus — van het Griekse psilos 'kaal' en rhis 'neus', naar de onbevederde neusgaten; genetisch onderzoek liet zien dat Cyanocorax daarmee parafyletisch was, waarna de twee geslachten zijn samengevoegd.