Alle soorten › Zangvogels › Kraaiachtigen › Noord-Mexicaanse gaai
Noord-Mexicaanse gaai | Aphelocoma wollweberi
Mexican Jay | Chara pechigris
De Noord-Mexicaanse gaai is de gaai van het dennen-eikenbos in de bergen van Noord-Mexico en de grensstaten. Hij leeft jaarrond in groepen van vijf tot twintig vogels waarin meerdere dieren aan één nest helpen — coöperatief broeden, hier al sinds de jaren zestig onafgebroken onderzocht.
Geluid
Het vaste geluid is een omhooggetrokken, iets nasale wienk of sjriee, die de groep bij elkaar houdt en op afstand het eerste teken van hun aanwezigheid is. Daarnaast klinken ratels, een rijk gekwetter op korte afstand en harde alarmnoten bij een roofvogel. De ratelroep verschilt tussen de drie ondersoortgroepen: die van de vogels van de Mexicaanse hoogvlakte is hoger dan die van de westelijke en oostelijke groep. Zang in de gewone zin ontbreekt.
Opname: David Tattersley — CC BY-NC-SA 4.0 · Willow Canyon, Pima County, Arizona, United States · xeno-canto
Herkenning
Een grote, kuifloze gaai met een blauwe kop, blauwgrijze mantel, blauwe vleugels en staart en lichtgrijze onderdelen. Keel en borst zijn effen grijs: er is geen wit keelveld, geen halsband en geen streping. Ook de wenkbrauwstreep ontbreekt. De staart is verhoudingsgewijs korter en de vleugel langer dan bij de struikgaaien, wat de vlucht directer maakt. Jonge vogels zijn valer en hebben een roze tot bleke snavel, die in de loop van het eerste tot derde jaar zwart wordt; in een groep zijn ze daaraan te herkennen.
Verwarringssoorten
Woodhouse' struikgaai overlapt in Arizona, New Mexico en West-Texas, maar heeft een vuilwit keelveld dat door een vage blauwe halsband wordt begrensd, een lichte wenkbrauwstreep en een langere staart, en komt in paren voor, niet in groepen. De egaal grijze keel en borst zijn hier het beslissende kenmerk. De pinyongaai is kleiner, volledig blauwgrijs zonder grijze onderdelen, heeft een korte staart en een spitse, dolkvormige snavel, en vliegt in grotere, dichte zwermen. Stellers gaai heeft een zwarte kop met kuif. Ten zuiden van dit areaal vervangt de transvulkanische gaai deze soort; die is in 2011 als aparte soort afgesplitst.
Leefgebied
Open dennen-eikenbos en eikenbos in bergen en canyons, ruwweg tussen 1500 en 2500 meter, vaak op de plek waar de eiken van de canyonbodem overgaan in de dennen van de hellingen. Het zwaartepunt ligt bij eiken: eikels en pijnboompitten worden in het najaar afzonderlijk in de grond begraven en in de loop van winter en voorjaar teruggevonden. In de zomer komt daar insectenvoedsel bij, met hagedissen, slangen, eieren en jonge vogels.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel zonder noemenswaardige trek. In de Verenigde Staten beperkt tot Zuidoost-Arizona, Zuidwest-New Mexico en West-Texas, waar de Chisos Mountains in Big Bend de oostelijke voorpost vormen. In Mexico langs de Sierra Madre Occidental en de Sierra Madre Oriental en over de noordelijke hoogvlakte, van Sonora en Chihuahua zuidwaarts tot ongeveer Jalisco, Guanajuato en Querétaro. De drie ondersoortgroepen — westelijk, oostelijk en hoogvlakte — verschillen in roep en in kleurtoon.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
In de canyons van de Huachuca-, Chiricahua- en Santa Rita Mountains in Zuidoost-Arizona zijn groepen doorgaans binnen een ochtend te vinden, het hele jaar door; op de kampeerplaatsen komen ze tot bij de picknicktafels. Hoor je één wienk, blijf dan staan: de rest van de groep volgt meestal binnen een minuut door de boomkruinen.
Staat van instandhouding
De soort staat als niet bedreigd (LC) te boek, met een groot areaal en een populatie die als stabiel wordt beschouwd; plaatselijk zijn wel dalingen gemeld. De belangrijkste factoren zijn het verlies van dennen-eikenbos door houtkap en begrazing in Mexico en, in de grensbergen, zeer hete branden die het eikenbestand vernietigen in plaats van het te verjongen. De populatie in de Chiricahua Mountains is een van de langst gevolgde vogelpopulaties van Noord-Amerika, wat de trend daar goed meetbaar maakt.
Wetenschappelijke naam
Aphelocoma wollweberi | Kaup, 1855
Johann Jakob Kaup beschreef de soort in 1855 als Aphelocoma wollweberi, naar materiaal uit Mexico; Pitelka beperkte de typelocatie in 1951 tot de Valparaíso-bergen in Zacatecas. Auteur en jaartal staan zonder haakjes omdat het geslacht niet veranderde. Het soortdeel eert de verzamelaar Wollweber, die het materiaal leverde. Aphelocoma komt van het Griekse apheles 'eenvoudig, glad' en komē 'haardos', naar het effen, ongebarreerde verenkleed. Tot 2011 werd de transvulkanische gaai (Aphelocoma ultramarina) binnen deze soort gerekend; bij de splitsing bleef de naam ultramarina bij de zuidelijke vogels, zodat de noordelijke wollweberi gingen heten.




