Alle soorten › Zangvogels › Lijsters › Bruine lijster
Bruine lijster | Turdus eunomus
Dusky Thrush | Zorzal oscuro
De bruine lijster broedt in Siberië en overwintert in Oost-Azië; in het gidsgebied is hij een dwaalgast, vrijwel beperkt tot de westelijke Aleoeten en de Beringzee-eilanden van Alaska, met enkele gevallen op het vasteland en in Brits-Columbia. Een zwart borstschild, een witte wenkbrauwstreep en roodbruine vleugelpanelen maken hem onverwisselbaar.
Geluid
De zang is eenvoudig: een korte reeks fluitende of licht schrille tonen, in bouw vergelijkbaar met die van de koperwiek, en in het gidsgebied vrijwel nooit te horen. Belangrijker zijn de roepen: een hard, snel tsjak-tsjak dat aan de kramsvogel doet denken, en een dun, wat schrapend kwiek of sjiep bij opvliegen. Dwaalgasten zitten meestal stil tussen andere lijsters en verraden zich pas bij het opvliegen.
Opname: Barry Edmonston — CC BY-NC-SA 4.0 · Izumi, Kagoshima, Japan · xeno-canto
Herkenning
Bovenzijde donkerbruin, met roodbruine panelen op vleugeldekveren en handpennen en een roestrode ondervleugel. De kop is donker met een lange, witte tot roomkleurige wenkbrauwstreep. De onderzijde is wit, met een brede zwarte band over de bovenborst en zwarte, schubvormige vlekken op de flanken; dat zwarte schild is bij het mannetje dicht en zwart, bij het vrouwtje losser en bruiner. De snavel is donker met een gele basis.
Verwarringssoorten
De naumanns lijster, waarmee de soort tot voor kort als één soort werd behandeld, heeft roodbruine in plaats van zwarte vlekken op borst en flanken en een roodbruine staart; hybriden komen in het overlapgebied in Siberië voor en zijn niet altijd te benoemen. De kramsvogel heeft een grijze kop en stuit en een zwarte staart zonder roodbruin in de vleugel. De koperwiek is kleiner, effen bruin van boven en gestreept in plaats van geschubd. Amerikaanse lijsters missen zowel het zwarte borstschild als de wenkbrauwstreep.
Leefgebied
In het broedgebied open naald- en berkenbos van de noordelijke taiga en het struweel aan de rand van de toendra. In de winter open land in Oost-Azië: rijstvelden, weiland, akkerranden, parken en tuinen, vaak in groepen op de grond. Dwaalgasten in Alaska duiken op in laag struweel, op grasvelden en bij dorpsranden, waar weinig andere dekking is.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedareaal loopt van Midden-Siberië oostwaarts tot Kamtsjatka; overwinterd wordt in Japan, Korea, Zuid-China en Myanmar. In Noord-Amerika is hij een onregelmatige doortrekker in voorjaar en najaar op de westelijke Aleoeten en een uitzonderlijke gast op Sint-Laurenseiland en St. Paul, met losse gevallen tot Utqiagvik in het noorden en Juneau en Petersburg in het zuidoosten van Alaska. Brits-Columbia heeft twee aanvaarde gevallen, uit 1993 en 1994, de staat Washington één uit 2002 en Yukon twee. De meeste vogels verschijnen laat in het najaar of in de winter, vaak in gezelschap van roodborstlijsters.
Waar en wanneer kijken
De kans is het grootst op Attu of Shemya in mei, of bij een najaarsbezoek aan een Aleoeteneiland; buiten Alaska loont het een winterse groep roodborstlijsters bij een lijsterbes of appelboom na te lopen. Let bij het opvliegen op de roestrode ondervleugel en de lichte vleugelpanelen, die ook op afstand zichtbaar zijn terwijl het borstschild pas van dichtbij te beoordelen is.
Staat van instandhouding
De soort staat op niet bedreigd (LC): het areaal is groot en de populatie wordt op miljoenen vogels geschat. In de overwinteringsgebieden in Oost-Azië is de soort wel afgenomen, onder meer door verandering van het landgebruik en door vangst; in Japan is de soort een gewone wintervogel gebleven. De Noord-Amerikaanse gevallen betreffen losse vogels en zeggen niets over de toestand van de populatie.
Wetenschappelijke naam
Turdus eunomus | Temminck, 1831
Temminck beschreef de soort in 1831 als Turdus eunomus, naar een exemplaar uit Japan; omdat ze nog altijd in het oorspronkelijke geslacht staat, komen auteur en jaartal zonder haakjes. Turdus is Latijn voor lijster. De soortnaam gaat terug op het Griekse eunomos 'wetmatig, ordelijk', van eu 'goed' en nomos 'wet, gewoonte'. De soort werd lange tijd als ondersoort van Turdus naumanni beschouwd en pas later weer als aparte soort erkend; de Nederlandse en Engelse naam noemen allebei de donkere tekening.





