Alle soorten › Zangvogels › Lijsters › Kramsvogel
Kramsvogel | Turdus pilaris
Fieldfare | Zorzal real
De kramsvogel is een grote Euraziatische lijster die in Noord-Amerika alleen als dwaalgast optreedt, vrijwel altijd in de winter in Newfoundland, Quebec en de oostelijke provincies, en in het voorjaar op de Aleoeten. Grijze kop en stuit tegen een kastanjebruine rug en een zwarte staart vormen een driekleurig patroon dat geen andere lijster in het gidsgebied heeft.
Geluid
De roep is een hard, ratelend tsjak-tsjak-tsjak, dat opvliegende groepen vrijwel altijd laten horen en dat op afstand al doorklinkt. De zang is een onsamenhangende reeks korte, krassende en piepende frases, doorspekt met dezelfde ratelroep; de flarden van een merelachtige melodie gaan er telkens in verloren. Bij het nest verdedigen broedparen zich gezamenlijk en roepen daarbij luid; ze bekogelen indringers met uitwerpselen.
Opname: Sonothèque ADVL — CC0 · Carolles, Manche, Normandie, France · xeno-canto
Herkenning
Een forse lijster met een lichtgrijze kop, nek en stuit, een kastanjebruine tot leigrijze mantel en een zwarte staart; die drie zones zijn in de vlucht van achteren tegelijk te zien. De borst en de flanken zijn okergeel met zwarte, pijlvormige vlekken die naar de flanken toe dichter worden; de buik is wit. De ondervleugel is helder wit en valt in de vlucht op tegen de donkere bovenzijde. De snavel is geel met een donkere punt.
Verwarringssoorten
De koperwiek is veel kleiner, effen bruin van boven, met een witte wenkbrauwstreep en roestrode flanken. De Amerikaanse roodborstlijster, waarmee dwaalgasten vaak samen optrekken, is even groot maar heeft een roestrode borst en een donkere kop zonder grijze stuit. De bruine lijster heeft een zwart borstschild en roodbruine vleugelpanelen, geen grijze kop. De combinatie van grijze stuit, zwarte staart en witte ondervleugel is bij wegvliegende vogels het snelst te controleren.
Leefgebied
In het broedgebied open berken- en naaldbos, bosranden, parken en tuinen in dorpen; hij broedt in losse kolonies van enkele tot tientallen paren. In de winter open cultuurland: weiland, akkerland, boomgaarden en heggen met meidoorn en lijsterbes, en bij strenge vorst ook tuinen met appels. De dwaalgasten in Noord-Amerika zitten meestal in een dorpsrand of boomgaard, tussen fruit etende lijsters.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedareaal loopt van Noorwegen en Midden-Europa oostwaarts tot Transbaikalië, de Aldan en de Tiensjan; overwinterd wordt in West- en Zuid-Europa, Noord-Afrika en Zuidwest-Azië, met sterke uitwijking naar het zuiden in vorstwinters. Naar Groenland komen vrijwel jaarlijks vogels; in januari 1937 werd een grote groep door storm naar Zuidwest-Groenland gedreven, waar daarna tientallen jaren is gebroed, tegenwoordig nog slechts onregelmatig. In Canada en de noordoostelijke Verenigde Staten gaat het om enkele tientallen aanvaarde gevallen, meestal tussen december en april; in Alaska duiken vogels in het voorjaar op de westelijke Aleoeten op.
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in Newfoundland of Quebec in de nawinter in een groep Amerikaanse roodborstlijsters bij een boom met blijvend fruit; kramsvogels blijven daar vaak dagen tot weken hangen zodra ze zijn gevonden. Het luide tsjak-tsjak bij het opvliegen verraadt hem al voordat de kleuren te zien zijn, en de witte ondervleugel is ook tegen een grijze lucht te controleren.
Staat van instandhouding
De wereldpopulatie wordt op 44 tot 96 miljoen vogels geschat en de IUCN houdt de soort op Least Concern. In Noordwest-Europa is de broedpopulatie de laatste decennia afgenomen, terwijl de soort in de negentiende en twintigste eeuw juist westwaarts uitbreidde tot in Frankrijk en de Britse eilanden. Voor het gidsgebied is de betekenis beperkt tot de Groenlandse vogels en de dwaalgasten; jacht op doortrekkende lijsters in Zuid-Europa is de grootste bekende sterftefactor in het kernareaal.
Wetenschappelijke naam
Turdus pilaris | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Turdus pilaris; omdat ze nog altijd in het oorspronkelijke geslacht staat, komen auteur en jaartal zonder haakjes. Turdus is Latijn voor lijster; pilaris was in het middeleeuwse Latijn al de naam voor deze soort, maar de herkomst van dat woord is onzeker. De Nederlandse naam gaat terug op 'krammetsvogel', van het oude woord kranewit voor jeneverbes, naar de bessen waarvan de soort in de winter eet. De Engelse naam Fieldfare is minstens elfde-eeuws en wordt meestal uitgelegd als 'reiziger over de velden'.






