Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Dikbekplevier
Dikbekplevier | Anarhynchus wilsonia
Wilson's Plover | Chorlitejo Piquigrueso
De dikbekplevier draagt de zwaarste snavel van alle kleine plevieren: recht, geheel zwart en bijna te groot voor zijn kop. Hij leeft vooral van wenkkrabben, die hij op open zand- en slikvlakten uit hun gangen haalt, en broedt langs de kusten van Virginia tot Brazilië. Zijn kleur en zijn gewoonte om roerloos te blijven staan maken dat hij op een breed strand vaak over het hoofd wordt gezien.
Geluid
De roep is een kort, scherp gefloten wiet of piet, hoog en dun voor een vogel met zo'n zware snavel, en meestal pas te horen als hij opvliegt. Bij grensgeschillen en in de balts gaat dat over in een snelle, ratelende reeks, wit-wit-wit-wit, die over het strand ver draagt. Bij het nest klinkt een aanhoudend, klagend piepen waarmee het paar de aandacht van de kuikens afleidt. Buiten de broedtijd zwijgt hij veel, en dan is de eerste aanwijzing eerder de zware snavel dan het geluid.
Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Groter en langpotiger dan de Amerikaanse bontbekplevier, met een grote kop, een steile voorhoofdslijn en een lange, dikke, geheel zwarte snavel; de poten zijn dof vleeskleurig tot grijsroze. Het mannetje in broedkleed is warm grijsbruin van boven en wit van onder, met één brede zwarte borstband, een wit voorhoofd, een zwarte voorhoofdsbalk en vaak een kaneelkleurige waas op kruin en oorstreek. Bij het vrouwtje, en bij het mannetje in winterkleed, is die band bruin tot roodbruin in plaats van zwart. Jonge vogels zijn bleker, met fijne lichte veerranden die de rug geschubd doen lijken, en met een smallere, soms onderbroken band. In de vlucht toont hij een smalle witte vleugelstreep en witte staartzijden, en hij gaat er laag en recht over het water vandoor.
Verwarringssoorten
De Amerikaanse bontbekplevier (Charadrius semipalmatus) is duidelijk kleiner en ronder, met een kort oranje snaveltje met zwarte punt en oranje poten; de zware zwarte snavel en de vleeskleurige poten van de dikbekplevier dragen het verschil ook op afstand. De dwergplevier (C. melodus) is veel bleker, met oranje poten en in de broedtijd een oranje snavel. De Amerikaanse strandplevier is kleiner en bleker en heeft een dun snaveltje en twee losse borstvlekken. De killdeerplevier is fors groter, langstaartig, met twee zwarte banden en een oranje stuit die bij het opvliegen meteen opvalt.
Leefgebied
Brede, vlakke zandstranden, droge zoutvlakten achter de duinen, opgespoten zandeilanden, schelpenbanken en de modderranden van lagunes en mangrovekreken — overal waar wenkkrabben in aantal voorkomen. Het nest is een kuiltje boven de vloedlijn, tussen schelpgruis of schaars helmgras. Hij mijdt smalle, steile stranden en drukke kustlijnen, en trekt zich terug op eilanden en afgesloten stukken zodra een strand in gebruik raakt. Hij foerageert het liefst bij afgaand tij, en ook 's nachts.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Hij broedt langs de Atlantische kust van Virginia zuidwaarts door de Carolina's, Georgia en Florida, langs de hele Golfkust tot Texas, aan beide kusten van Mexico, in Midden-Amerika en op de Grote en Kleine Antillen, en verder zuidwaarts tot Brazilië en Peru. De noordelijke broedvogels en een deel van de vogels van de Golfkust trekken in de winter weg naar Florida, Zuid-Texas, Mexico en de Caraïben; in het zuiden van het areaal blijft hij het hele jaar. De noordgrens is in de twintigste eeuw teruggeschoven: tot in de negentiende eeuw broedde hij noordwaarts tot New Jersey, waar hij nu alleen nog als dwaalgast opduikt. Landinwaarts wordt hij zelden gezien.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga van april tot juli vroeg in de ochtend en bij afgaand tij naar een breed, rustig strand of naar de zoutvlakte achter een barrière-eiland. Zoek niet naar beweging maar naar een stilstaande, rechtop staande plevier met een te grote zwarte snavel: hij blijft vaak minutenlang onbeweeglijk voor hij drie stappen doet. Waar wenkkrabben uit hun gangen komen, is de kans het grootst. Loop de duinrand niet in — de nesten liggen boven de vloedlijn en zijn niet te zien tot je erop staat.
Staat van instandhouding
Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de wereldpopulatie op ongeveer tweeëntwintigduizend broedvogels, waarvan zo'n achtduizendzeshonderd in de Verenigde Staten; op de Rode Lijst staat de soort als niet bedreigd (LC). De Noord-Amerikaanse aantallen zijn in vijftig jaar met meer dan de helft gedaald, waarmee de soort in de State of the Birds-rapporten (het tweejaarlijkse Noord-Amerikaanse statusrapport) in de zwaarste waarschuwingsklasse valt. De oorzaken zijn bebouwing van de kust, strandrecreatie en rijden op het strand in de broedtijd, en op langere termijn de stijgende zeespiegel, die de droge strook boven de vloedlijn wegneemt.
Wetenschappelijke naam
Anarhynchus wilsonia | (Ord, 1814)
George Ord beschreef de soort in 1814 als Charadrius wilsonia, in het negende deel van Alexander Wilsons American Ornithology, dat hij na Wilsons dood voltooide; omdat ze sindsdien in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anarhynchus is gevormd uit het Griekse ana-, 'achterwaarts', en rhynkhos, 'snavel', naar de zijwaarts gebogen snavel van de Nieuw-Zeelandse soort waarvoor het werd ingevoerd; deze plevier is er op grond van genetisch onderzoek uit 2022 bij ondergebracht en staat in oudere bronnen nog als Charadrius wilsonia. De soortnaam eert Wilson zelf, die het beschreven exemplaar bij Cape May in New Jersey verzamelde en afbeeldde. Cape May is daarmee ook de typelocatie.




