Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Prairieplevier
Prairieplevier | Anarhynchus montanus
Mountain Plover | Chorlito Llanero
De prairieplevier is een plevier die het zonder water doet: hij loopt op de kortste en droogste vlakten van de hoge prairie, ver van elke oever, en is de enige kleine plevier van het gebied zonder borstband. Zijn naam wijst naar de bergen, maar hij broedt op vlak land, bij voorkeur waar prairiehonden en vee het gras tot op de grond kort houden. Er zijn er nog een kleine twintigduizend, en verreweg de meeste daarvan overwinteren op een handvol akkergebieden in Californië.
Geluid
Het geluid is laag, zacht en kort van draagwijdte; op een vlakte waar de wind altijd staat hoor je hem meestal pas als hij al is opgevlogen. De gewone roep is een enkel laag krip of wiep, dat tussen het ritselen van het gras gemakkelijk wegvalt. In de balts brengt het mannetje in de vroege ochtend een diep, rollend geluid voort dat nog het meest lijkt op een koe die ver weg loeit. Daarnaast klinkt een langgerekt, gorgelend trilletje dat laag over de grond lijkt te schuiven. Wie te dicht bij een nest komt krijgt een herhaald, scherper kip-kip te horen.
Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Egaal zandbruin van boven, wit tot vaalgeel van onder, en zonder enig spoor van een borstband — dat laatste maakt hem tussen de kleine plevieren van het gebied meteen herkenbaar. In broedkleed draagt hij een zwarte voorkruin en een zwarte streep tussen oog en snavel, met daartussen een wit voorhoofd en een witte wenkbrauw. Buiten het broedseizoen valt dat zwart weg en blijft een vrijwel tekeningloze zandkleurige vogel over; jonge vogels ogen daarbij geschubd door de bleke randen aan de rugveren. De snavel is kort en zwart, de poten zijn bleek geelgrijs, en het grote donkere oog springt uit een verder kleurloos gezicht. Hij staat hoog op de poten en rechtop en beweegt zich in korte spurten met abrupte stops, zoals plevieren doen. In de vlucht toont hij een smalle witte vleugelstreep, een witte ondervleugel en een donkere band over het staarteind met een witte zoom.
Verwarringssoorten
De killdeerplevier gebruikt hetzelfde open land, maar heeft twee zwarte borstbanden, een veel langere oranje staart en laat zich voortdurend horen, terwijl de prairieplevier zwijgt. De Amerikaanse strandplevier is aanzienlijk kleiner en bleker en heeft een donkere oorvlek en een donker schoudervlekje. In winterkleed doet de Amerikaanse goudplevier van een afstand aan hem denken, maar die is groter, van boven fijn gespikkeld in plaats van egaal, en heeft een donkere pet boven een bleke wenkbrauw. De meest gelijkende soort is de blonde ruiter (Calidris subruficollis), die dezelfde kale akkers gebruikt: geschubd van boven, met gele poten, een korte rechte snavel en zonder witte vleugelstreep.
Leefgebied
Kortgrasprairie op de hoge, droge vlakten, en daarbinnen juist het kortste deel: begraasde en betreden grond waar de zode open ligt en de begroeiing nauwelijks tien centimeter haalt. Kolonies van prairiehonden zijn zijn beste terrein, omdat die het gras kort en de bodem kaal houden. Daarnaast gebruikt hij droge meerbodems, alkalivlakten, braakland en pas geploegde akkers, en in de winter kortgemaaide, begraasde of afgebrande velden. Hij mijdt hoog gras, struweel en elke oever; anders dan bijna alle plevieren komt hij bij water hooguit toevallig.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedvogel van de westelijke Great Plains, van het uiterste zuidoosten van Alberta zuidwaarts door Montana, Wyoming, Colorado, het westen van Nebraska en Kansas, de panhandle van Oklahoma, New Mexico en het noorden en westen van Texas, met daarnaast een afgescheiden bezetting in het Uinta-bekken van Utah. Het zwaartepunt ligt in Colorado, waar het grootste deel van de broedvogels zit. In de winter schuift hij naar het zuidwesten: verreweg de meeste vogels staan dan in het San Joaquin-dal en de Imperial Valley van Californië, de rest in zuidelijk Arizona, zuidelijk Texas en het noorden van Mexico. Het areaal is in de twintigste eeuw sterk gekrompen — met het verdwijnen van de bizon en het opruimen van de prairiehondenkolonies viel de korte zode weg — en in Canada resten nog maar enkele paren in de zuidoosthoek van Alberta en bij Grasslands National Park in Saskatchewan.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Rijd in mei bij zonsopgang de grindwegen van de kortgrasprairie af — Pawnee National Grassland in Colorado is de klassieke plek — en kijk niet naar de vogel maar naar zijn schaduw: op kale grond is een stilstaande prairieplevier vrijwel onzichtbaar, en pas als hij een paar passen rent verraadt hij zich. Zoek langs prairiehondenkolonies en rond de drinkbakken van het vee, waar de grond het kaalst is. In de winter zijn de pas geëgde velden van de Imperial Valley en de Carrizo Plain in Californië de beste plaatsen; daar staan troepen van tientallen tot honderden bijeen.
Staat van instandhouding
De soort geldt als gevoelig (NT): er zijn naar schatting elf- tot veertienduizend volwassen vogels en in totaal vijftien- tot twintigduizend, en de aantallen dalen. De grootste druk komt van het omzetten van kortgrasprairie in akkerland en van het terugdringen van prairiehonden, waarmee precies het korte, open gras verdwijnt dat hij nodig heeft. Nesten op bouwland gaan bij de voorjaarsbewerking verloren, terwijl hij daar juist graag gaat zitten; op begraasd land werkt vee in zijn voordeel.
Wetenschappelijke naam
Anarhynchus montanus | (Townsend, 1837)
Townsend beschreef de soort in 1837 als Charadrius montanus, bij de plevieren; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De beschrijving verscheen in het Journal of the Academy of Natural Sciences of Philadelphia, naar een vogel van de hoogvlakte van de Rocky Mountains, bij de Sweetwater River in Wyoming. montanus is Latijn voor 'van de bergen', en dat is misleidend: de vogel broedt op vlak land en gaat de bergen nergens in. Het geslacht Anarhynchus werd in 1830 ingevoerd door Quoy en Gaimard en is gevormd uit Grieks ana- 'terug, zijwaarts' en rhunkhos 'snavel', naar de zijwaarts gebogen snavel van de Nieuw-Zeelandse vogel waarvoor het geslacht oorspronkelijk was bedoeld.




