Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Amerikaanse strandplevier

Amerikaanse strandplevier | Anarhynchus nivosus

Snowy Plover | Chorlo Nevado

De Amerikaanse strandplevier is de bleekste en kleinste plevier van de kust: nauwelijks groter dan een mus, zandkleurig als het droge strand waarop hij loopt, met alleen een zwart oorvlekje en een onderbroken borstband als tekening. Hij legt zijn eieren in een kuiltje in het kale zand boven de vloedlijn, precies daar waar mensen, honden en auto's komen. Van de Grote Oceaan tot de Golf van Mexico en de Bahama's zijn de kolonies daardoor stuk voor stuk afhankelijk van afzettingen en toezicht.

Amerikaanse strandplevier (Anarhynchus nivosus)
Foto: Mike Baird — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het gewone geluid is een zacht, hoog en wat weemoedig toe-wiet, twee lettergrepen waarvan de tweede omhoog gaat; over kaal zand draagt hij ver. Bij onrust volgt een lage, rollende ratel, krrrt, die vaak het eerste teken is dat er een nest in de buurt ligt. In de balts loopt het mannetje al roepend rondjes en brengt daarbij een aanhoudende reeks van diezelfde tonen voort, sneller en zachter. Vliegende vogels laten een kort tjoep horen. Buiten dat alles is hij een stille vogel, die zich liever door stilzitten dan door geluid verraadt.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een kleine, bleke plevier met een grote ronde kop, een dunne zwarte snavel en donkergrijze poten. De bovenzijde is licht zandgrijs, de onderzijde wit, en de borstband is nooit gesloten: er staat alleen aan weerszijden van de borst een donkere vlek. Het mannetje in broedkleed heeft een zwarte streep over de voorkruin, een zwart vlekje achter het oog en zwarte borstvlekken; het vrouwtje heeft diezelfde tekening in bruin en veel vager. In winterkleed en bij jonge vogels is alles bruin en bleek, en het schoudervlekje is dan het enige wat de vogel nog aftekent tegen het zand. In de vlucht toont hij een duidelijke witte vleugelstreep en witte staartzijden, en hij vliegt laag en snel weg om even verderop abrupt te landen en meteen weer onzichtbaar te zijn.

Verwarrings­soorten

De dwergplevier is even bleek en even klein, maar korter en boller van vorm, met heldere oranje poten en in het broedseizoen een oranje snavel met zwarte punt; de Amerikaanse strandplevier heeft altijd grijze poten en een geheel zwarte, dunne snavel. De Amerikaanse bontbekplevier is donkerder bruin van boven, heeft een gesloten borstband, een witte halsring en oranje poten. De dikbekplevier (Anarhynchus wilsonia) van dezelfde zuidelijke stranden is groter en donkerder en heeft een zware, lange zwarte snavel. Grijze poten in combinatie met een dun zwart snaveltje en een onderbroken borstband zijn samen beslissend.

Leefgebied

Kaal, droog, open zand: het strand boven de vloedlijn, de voet van de duinen, zandplaten en schelpenbanken in estuaria, en de dijkjes en droogvallende bodems van zoutpannen. In het binnenland gebruikt hij alkalivlakten, droge meerbodems en de zoutkorst rond zoutmeren en playa (ondiep, tijdelijk meer in een afvoerloze woestijnkom)'s, en langs rivieren de kale zandbanken. Wat alle plaatsen delen is de afwezigheid van begroeiing: zodra helm of ander gras zich sluit, verdwijnt hij. Slikplaten gebruikt hij om te eten, maar broeden doet hij op droog, hard zand met wat schelpgruis of aanspoelsel om het nest tegen de wind te dekken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedvogel van de Grote Oceaankust van Washington zuidwaarts door Californië en Neder-Californië tot Oaxaca, van het droge binnenland van het Grote Bekken en de zoutvlakten van de Great Plains tot in Kansas en Oklahoma, en van de kust van de Golf van Mexico van Texas tot Florida. Op de eilanden van de Bahama's en de Caraïben en langs de Mexicaanse kusten is hij het hele jaar aanwezig. Vogels van het binnenland trekken weg naar de kust — die van het Grote Bekken naar de Grote Oceaan, die van de Great Plains naar de Golf — terwijl de kustbroedvogels grotendeels blijven of alleen over korte afstand langs de kust schuiven. Het areaal is in de laatste halve eeuw uitgedund: aan de Amerikaanse Grote Oceaankust verdwenen sinds 1970 vijftig van de achtenzeventig broedplaatsen, en op de Great Plains liepen de aantallen tussen 1998 en 2009 met meer dan driekwart terug.

  • Winter
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Loop in de vroege ochtend de droge strook boven de vloedlijn af en kijk naar het aanspoelsel: de vogel drukt zich in een voetstap, een bandenspoor of achter een stuk wier en is dan niet van het zand te onderscheiden. Je vindt hem meestal doordat een klompje zand ineens tien passen verzet en weer stilvalt. Blijf buiten de afgezette broedvakken en houd honden aan de lijn — een verstoord paar laat het nest twintig minuten onbewaakt en dan is het weg. De zoutpannen van San Francisco Bay, de stranden van de Florida-panhandle en de zoutvlakten van Oklahoma zijn goede plaatsen.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie wordt op vierentwintig- tot eenendertigduizend volwassen vogels geschat en de soort geldt als gevoelig (NT). De bedreigingen zijn overal dezelfde: recreatie en honden op de broedstranden, strandreiniging, bebouwing, en aan de Amerikaanse Grote Oceaankust de aangeplante Europese helm, die het kale zand dichtgroeit. Daarbij komen kraaien, meeuwen en vossen die op menselijk afval leven en de nesten leegroven, en overstroming van laaggelegen broedplaatsen bij storm.

Wetenschappelijke naam

Anarhynchus nivosus | (Cassin, 1858)

Cassin beschreef de soort in 1858 als Aegialitis nivosa; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De beschrijving verscheen in het negende deel van de verslagen van de Amerikaanse spoorwegverkenningen naar de Grote Oceaan, naar een vogel van het Presidio van San Francisco in Californië. nivosus is Latijn voor 'besneeuwd', van nix, 'sneeuw', naar het bleke, bijna witte kleed. Het geslacht Anarhynchus werd in 1830 ingevoerd door Quoy en Gaimard, uit Grieks ana- 'terug, zijwaarts' en rhunkhos 'snavel'; de meeste plevieren van dit geslacht stonden tot voor kort bij Charadrius.