Alle soortenSteltloperachtigenJacana's › Leljacana

Leljacana | Jacana spinosa

Northern Jacana | Jacana centroamericana

De leljacana is in Mexico, Midden-Amerika en op de Grote Antillen een gewone vogel van elke ondiepe plas met drijvende bladeren, maar in de Verenigde Staten een grote zeldzaamheid die alleen onregelmatig Zuid-Texas haalt. Op het water valt hij nauwelijks op, roodbruin tussen de waterlelies; slaat hij de vleugels open, dan blijkt de hele slagpen groengeel. Er heeft in Texas ooit een broedgroep gezeten, en die verdween in één winter.

Leljacana (Jacana spinosa)
Foto: Andy Reago & Chrissy McClarren — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Hij is luidruchtig en laat zich meestal eerder horen dan zien: een hard, ratelend kek-kek-kek-kek dat als een klepel over het water klettert, doorgaans wanneer twee buren elkaars grens overschrijden. Loopt het hoog op, dan gaat de reeks over in een schril, schor gekrijs terwijl de vogels met opgeheven vleugels op elkaar toe lopen. Bij alarm klinkt één scherpe, gerekte kreet, waarna alles op de plas even stil is. Tussen een vrouwtje en de mannetjes van haar territorium gaan zachte, klokkende geluidjes heen en weer die maar een paar meter dragen.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een middelgrote steltloper met een diep kastanjebruin lichaam en een zwarte kop, hals en borst, waardoor hij van een afstand tweekleurig lijkt. Snavel en voorhoofdsplaat zijn helder geel, wat bij laag licht het eerste is wat opvalt; poten en tenen zijn grijsgroen en overdreven lang. Het beste kenmerk komt pas bij het openen van de vleugel: de slag- en armpennen zijn groengeel, zodat een vogel die opvliegt of zich uitrekt plotseling twee lichte vlaggen laat zien. Het vrouwtje is duidelijk groter dan het mannetje, verder zijn ze gelijk gekleurd. Jonge vogels zien er heel anders uit: bovenop donkerbruin, onderop wit, met een witte wenkbrauwstreep boven een donkere oogstreep — juist die vogels zwerven het verst, en het zijn er ook die in Texas opduiken.

Verwarrings­soorten

De jonge vogel is de lastige: hij wordt verward met een jong Amerikaans purperhoen, dat ook op drijvende bladeren loopt en lange gele poten heeft, maar dat is warmbruin tot olijfgeel, zonder de scherpe witte wenkbrauw en zonder geelgroen in de vleugel. Volwassen vogels zijn nauwelijks met iets te verwisselen zolang de vleugel dichtblijft; op het water lijkt de donkere voorkant op een waterhoen, tot de vogel wegloopt en de lange tenen zichtbaar worden. Ten zuiden van dit kaartvenster, vanaf West-Panama, wordt de soort vervangen door haar zuidelijke tegenhanger Jacana jacana, die rode in plaats van gele lellen draagt; in het grensgebied komen vogels voor die het midden houden tussen beide.

Leefgebied

Ondiep zoet water met een gesloten dek van drijvende bladeren: moerasplassen, oude rivierarmen, sloten en greppels, rijstvelden, drinkpoelen voor vee en de rustige randen van lagunes. Waterlelie, lisdodde en watergentiaan zijn belangrijker dan de omgeving eromheen; een kale poel is voor hem waardeloos, hoe schoon het water ook is. Hij komt tot in het cultuurland en soms tot in dorpsvijvers, zolang dat bladerdek er ligt. Wordt de begroeiing weggehaald of valt de plas droog, dan is de vogel de volgende week weg.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel van Sinaloa en Tamaulipas in Mexico zuidwaarts door Midden-Amerika tot West-Panama, en op Cuba, Jamaica en Hispaniola. In de Verenigde Staten is hij een grote zeldzaamheid: vóór 1910 mogelijk nog een schaarse broedvogel in de benedenloop van de Rio Grande, en tussen 1967 en 1978 zat er een groep van een stuk of veertig vogels op Maner Lake in Brazoria County, Texas. Die groep verdween na de strenge vorst van de winter van 1977 op 1978, waarna de eigenaar de waterplanten uit het meer liet halen. Sindsdien gaat het om losse vogels, met jaren tussen de waarnemingen in; op de kaart staat daarom alleen het gebied waar hij werkelijk vast zit, en niet Texas.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Zoek in Mexico of Midden-Amerika een ondiepe poel met waterlelies en laat de kijker langzaam over de rand van het bladerdek gaan: de gele snavel is bij grijs weer het enige wat oplicht. Kom vroeg, want dan zijn de vogels het luidruchtigst en gaan de grensruzies over de hele plas. Vliegt er een op, kijk dan naar de vleugel en niet naar het lichaam; het geelgroen is op elke afstand te zien en maakt de bepaling in één klap rond.

Staat van instandhouding

De soort geldt als niet bedreigd en is over het grootste deel van het areaal algemeen; drinkpoelen voor vee, sloten en rijstvelden hebben er zelfs plaatsen bij gemaakt waar ze eerst niet was. De druk zit in het opruimen van begroeiing: waar drijvende waterplanten met de hand of met bestrijdingsmiddelen worden verwijderd, of waar een moeras wordt drooggelegd, verdwijnt hij meteen. Het Texaanse voorbeeld laat zien hoe dun de grip aan de noordrand is: één strenge winter en één schoongemaakt meer waren genoeg om de enige broedgroep van het land te laten verdwijnen.

Wetenschappelijke naam

Jacana spinosa | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fulica spinosa, bij de meerkoeten; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Jacana werd in 1760 ingevoerd door Brisson; het woord komt uit het Tupi van Brazilië, waar het de naam van deze vogels is. De soortnaam spinosa is Latijn voor 'doornig' en slaat op de scherpe spoor op de vleugelbocht. De typelocatie heeft een omweg gekend: Linnaeus ging af op een afbeelding van Edwards, met de aantekening dat de vogel uit Cartagena zou zijn gebracht — bij die stad leeft de soort niet, en daarom stelde Todd later Panama in de plaats.