Alle soortenSteltloperachtigenPlevieren › Kievit

Kievit | Vanellus vanellus

Northern Lapwing | Avefría europea

De kievit is de zwart-witte weidevogel van Eurazië, met een dunne opstaande kuif en brede, ronde vleugels die hem in de vlucht van elke andere steltloper scheiden. In Noord-Amerika is hij dwaalgast: hij komt hier alleen aanwaaien, bijna altijd in de late herfst of de winter, en dan soms met tientallen tegelijk. Newfoundland ligt op dezelfde breedte als Ierland en vangt daardoor het grootste deel van de gevallen op.

Kievit (Vanellus vanellus)
Foto: Alastair Rae — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een nasaal, ver dragend kie-wiet, waaraan de Nederlandse naam is ontleend en dat op de Europese weiden het geluid van het voorjaar is. In de baltsvlucht, met zwaaiende, tuimelende slagen, gaat dat over in een schor, uitgerekt tsjer-wiet tsjerrie-wiet, met daaronder het hoorbare zoeven van de vleugels. Bij verstoring van het nest klinkt een hard, herhaald kwiet terwijl de vogel laag over het hoofd van de indringer keert. Dwaalgasten in Noord-Amerika zwijgen meestal: ze staan alleen of met een paar bij elkaar en roepen pas als ze opvliegen.

Luister: VluchtroepXC902884

Opname: Jochem verweij — CC BY-SA 4.0 · Mörbylånga Municipality, Kalmar County, Sweden · xeno-canto

Herkenning

Een middelgrote steltloper met een lange, dunne, omhoog gebogen kuif van enkele smalle veren, die ook op afstand meteen opvalt. Van boven lijkt hij zwart, maar in de zon zijn de rug- en vleugeldekveren donkergroen met een purperen en bronzen glans; keel en borst zijn zwart, de buik wit en de onderstaartdekveren warm roestbruin. Het vrouwtje heeft een kortere kuif en meestal wat wit in de zwarte keel; in het winterkleed krijgen beide een geelbruin gezicht en bleke veerranden op de rug. Jonge vogels hebben een korte kuif en duidelijk geschubde bovendelen. In de vlucht zijn de vleugels breed, stomp en aan het eind afgerond, van onderen zwart met een wit achterlijf, en de slag is traag en wiegend.

Verwarrings­soorten

Geen andere steltloper van het gidsgebied heeft een kuif, en geen andere heeft zulke brede, aan het eind ronde vleugels; wie de vogel eenmaal in de vlucht heeft gezien, verwart hem niet meer. Op de grond en op afstand kan hij op een zilverplevier (Pluvialis squatarola) lijken, maar die is grijs gespikkeld in plaats van glanzend donker, mist de kuif, heeft zwarte okselveren en spitse vleugels. De Amerikaanse goudplevier is slanker, goudbruin gespikkeld en eveneens spits van vleugel. Een kievit in winterkleed op een verre stoppelakker is nog het makkelijkst over het hoofd te zien: dan lijkt hij bruin en kuifloos, en helpt alleen de vleugelvorm bij het opvliegen.

Leefgebied

In zijn broedgebied is hij een vogel van open, laag begroeid en vochtig land: natte weiden, beweide kwelders, ontwaterde veenpolders en akkers met een kort of net opkomend gewas. In Noord-Amerika duiken de vogels op in precies zulk terrein bij de kust — beweide velden, stoppelakkers, vliegveldgrasland en golfbanen, meestal binnen enkele kilometers van zee. Hij mijdt bos, hoog gras en steile hellingen, en heeft een vlakte nodig waarover hij ver kan kijken. Bij strenge vorst wijkt hij uit naar slikplaten en naar akkers waar de grond nog open is.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

De kievit broedt over gematigd en subarctisch Eurazië, van Ierland en het Iberisch Schiereiland tot Zuidoost-Rusland en Noordoost-China, en overwintert van Noord-Afrika en West-Europa oostwaarts tot Japan en Noord-Vietnam. In Noord-Amerika is hij een dwaalgast die vrijwel alleen met oostenwind arriveert: bij een sterk negatieve Noord-Atlantische Oscillatie draaien de winden boven de oceaan, en vogels die op weg waren naar Ierland en Groot-Brittannië worden westwaarts weggezet. Zo ontstonden invasies in december 1927, toen er honderden aankwamen, in januari 1966, in 1996–1998, in 2012–2013 en in 2021–2022. De gevallen liggen tussen Newfoundland en Labrador in het noorden en Virginia in het zuiden, met uitschieters tot Ohio, Florida en Bermuda, en vallen bijna alle tussen november en maart.

Waar en wanneer kijken

Kijk in de weken na een langdurige, harde oostenwind over de Noord-Atlantische Oceaan, doorgaans eind november tot januari, en loop dan op het schiereiland Avalon in Newfoundland de beweide velden en stoppelakkers bij de kust af. Een kievit blijft laag zitten en beweegt weinig; scan de vlakte met de kijker op het kuifje en op de scherpe grens tussen zwarte borst en witte buik. Vliegt hij op, dan is de zaak in één oogopslag beslist door de brede zwart-witte vleugel.

Staat van instandhouding

De kievit staat op de Rode Lijst als gevoelig. In Europa, waar het zwaartepunt van de wereldpopulatie ligt, lopen de aantallen al decennia terug door ontwatering van weidegrond, vroeger en vaker maaien en de omzetting van grasland in bouwland, waardoor nesten en kuikens verloren gaan. Voor het Noord-Amerikaanse voorkomen betekent dat iets eenvoudigs: hoe kleiner de overwinterende populatie aan de Ierse en Britse kant van de oceaan, hoe minder vogels een storm hierheen kan brengen.

Wetenschappelijke naam

Vanellus vanellus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 in de tiende editie van Systema Naturae als Tringa Vanellus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Vanellus werd in 1760 door Brisson ingevoerd; het is een verkleinwoord van het Latijnse vannus, de platte mand waarmee graan werd gewand, naar het wuivende geluid van de brede, trage vleugelslag. Doordat de soortnaam de geslachtsnaam letterlijk herhaalt, heet de vogel Vanellus vanellus, een tautoniem, onder vogelnamen niet zeldzaam. Linnaeus gaf als vindplaats Europa en Afrika; de typelocatie is later beperkt tot Zweden.