Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Dwergplevier

Dwergplevier | Charadrius melodus

Piping Plover | Chorlitejo Silbador

De dwergplevier is bleek als droog zand en daardoor op een breed strand bijna niet te zien tot hij beweegt. Hij broedt alleen in Noord-Amerika, in drie ver uiteenliggende gebieden — de Atlantische kust, de oevers van de Grote Meren en de zandbanken en zoutvlakten van de noordelijke prairie — en telt in totaal nog geen negenduizend volwassen vogels. Zijn Engelse naam komt van de heldere fluittoon waarmee hij zich verraadt.

Dwergplevier (Charadrius melodus)
Foto: Bear Golden Retriever from auburn,ny, usa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een zuiver, klagend gefluit van twee tonen, piep-lo, waarvan de tweede lager ligt dan de eerste; hij draagt ver over open zand en is vaak het eerste teken dat er een vogel staat. In de baltsvlucht boven het broedstrand hangt het mannetje op trage, diepe slagen in de lucht en herhaalt een reeks van dezelfde tonen, in een steeds sneller ritme. Op de grond klinkt bij grensgeschillen een lage, snorrende roffel, terwijl twee mannetjes zij aan zij langs de grens op en neer lopen. Bij gevaar vlak bij het nest gaat de roep over in een kort, hard piep, gegeven terwijl de vogel met hangende vleugel van het nest wegloopt.

Luister: RoepXC494406

Opname: Will Sweet — CC BY-NC-SA 4.0 · Laudholm Beach, Wells, United States · xeno-canto

Herkenning

Klein en rond van bouw, met een rond kopje, grote donkere ogen en een kort snaveltje; de bovendelen zijn licht zandgrijs, precies de kleur van droog strandzand, de onderdelen wit. In het broedkleed draagt hij een zwarte balk over het voorhoofd en een smalle zwarte borstband die vaak in het midden onderbroken is, met een oranje snavel met zwarte punt. Buiten de broedtijd is de snavel geheel zwart en verbleekt de band tot twee grijze vlekken opzij van de borst. De poten zijn het hele jaar oranjegeel, het beste kenmerk bij een vogel in winterkleed. In de vlucht valt een brede witte vleugelstreep op en een witte stuit die tegen de donkere staartpunt afsteekt. Jonge vogels lijken op de wintervogel, met fijne bleke randjes op de rugveren.

Verwarrings­soorten

De Amerikaanse strandplevier (Anarhynchus nivosus) is even bleek en van dezelfde grootte, maar heeft donkergrijze tot zwarte poten, een dun, geheel zwart snaveltje en in plaats van een borstband twee losse donkere vlekken opzij van de borst, met een donkere oorvlek erboven. De Amerikaanse bontbekplevier (Charadrius semipalmatus) is duidelijk donkerder bruin van boven en heeft een volledige, brede borstband. De killdeerplevier is veel groter, langstaartig en draagt twee zwarte banden. Op een winterstrand is de combinatie van bleke rug, oranje poten en zwarte snavel beslissend; de kleur van de poten wordt echter op nat zand en in tegenlicht makkelijk verkeerd gezien.

Leefgebied

Broedt op brede, vlakke zandstranden boven de vloedlijn, op zandbanken in de Missouri en de Platte, op de kale oevers van alkalimeren in de prairie en op de zandstranden van de Grote Meren. Hij heeft open, schaars begroeide grond nodig met los zand, schelpgruis of fijn grind waarin het nestkuiltje wegvalt; zodra helm en struiken de vlakte dichtgroeien, verdwijnt hij. Buiten de broedtijd staat hij op zandplaten en slikranden die bij laag water droogvallen, meestal binnen enkele meters van de waterlijn. Smalle, steile stranden en stranden met veel verkeer mijdt hij.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Hij broedt in drie gescheiden populaties: langs de Atlantische kust van Newfoundland en de Îles-de-la-Madeleine tot North Carolina, langs de oevers van de Grote Meren, en in het binnenland van Alberta en Saskatchewan zuidwaarts tot Nebraska en Oklahoma. De winter brengt hij door aan de Golf van Mexico en de zuidelijke Atlantische kust, van North Carolina tot Texas en verder in Tamaulipas, Yucatán, de Bahama's, Cuba en de Turks- en Caicoseilanden; de Bahama's alleen herbergen een groot deel van de wereldpopulatie. In de twintigste eeuw kromp de populatie van de Grote Meren tot een handvol paren, en in 1986 werd de soort onder de Amerikaanse natuurwet geplaatst. Sinds broedstranden worden afgezet en roofdieren worden geweerd is de Atlantische populatie weer gegroeid, terwijl die van de Grote Meren nog onder het hersteldoel van honderdvijftig paren blijft.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga tussen half mei en juli naar een afgezet stuk broedstrand en kijk vanaf het lint of de rand van het raster; verder hoeft niet, want de vogels lopen tot vlak bij de afzetting. Zoek niet naar een vogel maar naar beweging: een stilstaande dwergplevier valt tegen droog zand weg, een rennende niet. Let op het trillen van één poot in het natte zand, waarmee hij prooi naar boven jaagt. Blijf buiten de afzetting — een broedende vogel die van het nest wordt gejaagd, laat eieren of kuikens in de zon achter.

Staat van instandhouding

Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) komt op ongeveer achtduizendvierhonderd volwassen vogels; de Rode Lijst houdt de soort op gevoelig (NT). In de Verenigde Staten geldt de populatie van de Grote Meren onder de nationale wet als bedreigd en die van de Atlantische kust en de prairie als kwetsbaar. De aantallen zijn in vijftig jaar met meer dan de helft teruggelopen, en de oorzaken zijn overal dezelfde: strandrecreatie en loslopende honden, bebouwing van de kust, roofdieren die van menselijk afval leven, peilbeheer op de prairierivieren en de stijgende zeespiegel. Rasters om de nesten en het weghouden van vossen en kraaien werken, maar moeten elk jaar opnieuw worden opgezet.

Wetenschappelijke naam

Charadrius melodus | Ord, 1824

George Ord beschreef de soort in 1824 als Charadrius melodus, in de door hem herziene zevende band van Alexander Wilsons American Ornithology; omdat ze nog altijd in dat geslacht staat, gaan auteur en jaartal zonder haakjes. Het geslacht Charadrius is laat-Latijn voor een geelachtige vogel uit de vierde-eeuwse Vulgaat, ontleend aan het Griekse kharadrios, een vogel van ravijnen en beekbeddingen. melodus komt van het Griekse melōidos, 'welluidend', en slaat op het heldere fluitje; de Engelse naam Piping Plover zegt hetzelfde. Als typelocatie gaf Ord Great Egg Harbor in New Jersey.