Alle soorten › Koekoeksvogels › Koekoeken › Geelsnavelkoekoek

Geelsnavelkoekoek | Coccyzus americanus

Yellow-billed Cuckoo | Cuclillo Piquigualdo

De geelsnavelkoekoek is een slanke, langstaartige zomervogel die je vaker hoort dan ziet: warmbruin van boven, wit van onder, met een gele ondersnavel en roodbruin oplichtende slagpennen. Hij is de vogel van de rupsenplaag — één exemplaar eet er duizenden per seizoen, harige soorten inbegrepen, die de meeste vogels laten zitten. Anders dan de Europese koekoek broedt hij zijn eigen eieren uit, in een losse takkenschotel.

Geelsnavelkoekoek (Coccyzus americanus)
Foto: Rhododendrites — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De bekendste roep is een houten, kloppend kow-kow-kow-kow dat gaandeweg trager en lager wordt, alsof de vogel uitloopt; hij komt vaak op drukkende, bewolkte middagen, waaraan de bijnaam 'regenkraai' is blijven hangen. Daarnaast klinkt een langgerekt, dof koeoep-koeoep-koeoep met lange tussenpozen, dat door dicht loof heen ver draagt. Beide geluiden worden gegeven vanuit dekking, meestal halverwege de kroon, en de zanger blijft er bewegingloos bij zitten. In het najaar zwijgt hij vrijwel volledig.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC901133

Opname: David Tattersley — CC BY-NC-SA 4.0 · Rio Grande City, Starr County, Texas, United States · xeno-canto

Herkenning

Slank en langgerekt, met een lange staart, warmbruine bovendelen en zuiver witte onderdelen zonder tekening. De snavel is licht gebogen en over het grootste deel geel, met een donkere bovenrand; rond het oog ligt een smalle gele ring. In vlucht flitst een roodbruin vlak op in de handpennen, het beste kenmerk op afstand. De onderkant van de staart draagt drie brede witte vlekken tussen brede zwarte banden, waardoor de staart van onderen sterk gebandeerd oogt. De vlucht is snel, recht en laag, met diepe slagen van de spitse vleugels; man en vrouw zijn niet uit elkaar te houden.

Verwarrings­soorten

De zwartsnavelkoekoek heeft een geheel donkere snavel, een rode oogring, geen roodbruin in de vleugel en op de onderstaart alleen smalle witte topjes in plaats van brede vlekken. De mangrovekoekoek deelt de gele snavelbasis maar heeft een zwart oogmasker en een duidelijk okerkleurige buik. Van veraf, zittend en in het tegenlicht, wordt de koekoek voor een treurduif aangezien; die heeft een korte snavel, een kleine kop en een spits toelopende staart met witte randen.

Leefgebied

Loofbos en struweel met een dichte onderlaag, bij voorkeur dicht bij water: houtwallen, verruigde boomgaarden, wilgen- en kornoeljestruweel en de zoom van beekdalen. In het zuidwesten is hij vrijwel geheel gebonden aan de galerijbossen van wilg en katoenboom langs rivieren en aan dichte mesquitebosjes, een leefgebied dat daar grotendeels is verdwenen. Gesloten naaldbos, open akkerland en droge kale hellingen mijdt hij. Hij heeft grote, aaneengesloten stukken struweel nodig; smalle overhoekjes gebruikt hij nauwelijks.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedvogel in vrijwel het hele oosten van de Verenigde Staten tot in zuidelijk Ontario, met een dunne, sterk versnipperde bezetting in het zuidwesten en langs de westelijke rivieren; ook in het noordwesten van Mexico en op de Grote Antillen en de Bahama's broedt hij. Hij is een langeafstandstrekker die 's nachts vliegt en in Zuid-Amerika overwintert, tot in het noorden van Argentinië — buiten deze kaart. In het westen van het areaal is hij in de twintigste eeuw grotendeels verdwenen met de oeverbossen; in Californië en langs de Colorado is nog maar een fractie over van wat er rond 1900 zat.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem op een broeierige middag in juni of juli langs een beekdal met dicht struweel, en luister eerst: het kloppende kow-kow-kow verraadt hem zonder dat er iets beweegt. Volg dan het geluid en zoek in de halfhoogte naar een lange, horizontale, roerloze vorm; hij vliegt pas op als je vlakbij bent, en dan zie je het roodbruin in de vleugel. Rupsenrijke jaren leveren de meeste vogels op dezelfde plek op.

Staat van instandhouding

De IUCN rekent de soort tot niet bedreigd (LC); de wereldpopulatie wordt op ongeveer 9,6 miljoen vogels geschat, maar tussen 1966 en 2019 nam het aantal met ruwweg een derde af. De westelijke populatie is als apart beschermde eenheid aangemerkt vanwege het grootschalige verlies van oeverbos. Daarnaast eisen botsingen met hoge bouwwerken tijdens de nachtelijke trek hun tol, en verdwijnen door bestrijdingsmiddelen de rupsen waarvan hij leeft.

Wetenschappelijke naam

Coccyzus americanus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Cuculus americanus; omdat ze later naar een ander geslacht is overgebracht, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Coccyzus werd in 1816 ingevoerd door Vieillot, naar het Griekse kokkuzo ('roepen als een koekoek'). De soortnaam betekent eenvoudig 'van Amerika'. Als typelocatie gaf Linnaeus 'Carolina', wat als South Carolina wordt gelezen.