Alle soorten › Zangvogels › Monarchen › Kauaʻi-ʻelepaio
Kauaʻi-ʻelepaio | Chasiempis sclateri
Kauaʻi ʻElepaio | ʻElepaio de Kauaʻi
De Kauaʻi-ʻelepaio is een monarchvliegenvanger die alleen op het eiland Kauaʻi voorkomt en nergens anders ter wereld. Hij is grijs van boven met een witte wenkbrauwstreep, een roestbruine borst en een witte buik, en houdt de staart vaak schuin omhoog. Sinds 2010 wordt hij als aparte soort behandeld; daarvoor gold hij als ondersoort van de hawaii-ʻelepaio.
Geluid
De roep is een luide, heldere fluittoon die als e-le-PAI-o klinkt en waaraan de Hawaïaanse naam is ontleend. Daarnaast wordt een raspend, knarsend geluid gebruikt bij territoriumgeschillen, en een reeks korte, scherpe noten bij onrust. De vogel laat zich het hele jaar horen en is doorgaans de eerste inheemse zangvogel die 's ochtends begint en de laatste die 's avonds stopt. De roep draagt ver door het bos en is meestal het eerste teken van aanwezigheid.
Opname: Daniel Lane — CC BY-NC-SA 3.0 · Alaka'i Swamp trail, Kaua'i, Hawaii, United States · xeno-canto
Herkenning
Volwassen vogels zijn donkergrijs tot grijsbruin op kruin en rug, met een witte wenkbrauwstreep, een roestbruine waas over de bovenborst en een witte onderzijde. De vleugels dragen twee lichte strepen en de staart heeft een witte punt, die vooral opvalt wanneer de vogel de staart opricht. Jonge vogels wijken sterk af: die zijn overwegend roestbruin van boven en wit van onderen, met roestkleurige in plaats van witte vleugeltekening. Het gedrag is actief en rusteloos: de vogel foerageert op alle hoogten, hangt aan takken en vangt insecten in korte uitvallen.
Verwarringssoorten
Op Kauaʻi is er geen inheemse vogel die op de Kauaʻi-ʻelepaio lijkt; de andere twee ʻelepaio-soorten leven op Oʻahu en op Hawaï en komen daar niet voor. De ingevoerde Japanse struikzanger heeft ongeveer hetzelfde formaat en leeft in dezelfde bossen, maar is effen olijfbruin zonder wenkbrauwstreep, roest of witte staartpunt, en heeft een geheel andere zang met een lange aangehouden fluittoon gevolgd door een snelle triller. Een jonge ʻelepaio, overwegend roestbruin, wordt vaker voor een andere soort aangezien dan een volwassen vogel.
Leefgebied
Inheems vochtig en nat bos van ʻohiʻa en koa (Acacia koa, een inheemse Hawaïaanse boom), vooral boven 600 meter en het talrijkst boven 1100 meter op het Alakai-plateau. Ook jongere opslag en bosranden worden gebruikt zolang de begroeiing meerdere lagen heeft. Het oorspronkelijke areaal omvatte waarschijnlijk alle beboste delen van het eiland, van de kust tot het hoogste punt; de huidige verspreiding ligt vrijwel geheel in het hoogland.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het hele wereldareaal ligt op één eiland: Kauaʻi, met een oppervlakte van ongeveer 1430 vierkante kilometer en een hoogste punt van 1598 meter. De kern zit in het Alakai Wilderness Preserve en de aangrenzende bossen bij Kokee en de Waimea Canyon. De soort trekt niet en verlaat het eiland niet, zodat de seizoenskaart maar één zinvolle eenheid kent: de staat Hawaï. Binnen die eenheid gaat het om een klein deel van één eiland, niet om de archipel als geheel.
- Jaarrond
Waar en wanneer kijken
De bospaden bij Kokee State Park en de rand van het Alakai-plateau geven de grootste kans, het hele jaar door. Ga af op de heldere e-le-PAI-o-roep en blijf staan; de vogel benadert een stilstaande waarnemer vaak uit zichzelf tot op enkele meters. Neem in gedachten dat een roestbruine vogel met een witte buik een jong exemplaar van dezelfde soort is.
Staat van instandhouding
De Rode Lijst classificeert de soort als gevoelig (NT); op het niveau van de staat Hawaï geldt ze als bedreigd. De aantallen werden rond 1970 op ongeveer 40.000 vogels geschat en halveerden in de jaren negentig; op het Alakai-plateau is de dichtheid daarna weer met ongeveer 13 procent toegenomen. De knelpunten zijn verlies en aantasting van inheems bos, predatie door ingevoerde ratten, katten en uilen, en ziekten. Vogelpokken verlagen het broedsucces en de overleving van volwassen vogels. Malaria bij vogels, overgebracht door de ingevoerde zuidelijke huismug, drong met een warmer klimaat verder het hoogland in; omdat Kauaʻi maar 1598 meter hoog is, blijft er een groot deel van het jaar geen muggenvrij hoogland over dat als toevlucht kan dienen. Voor andere bosvogels van Kauaʻi is dat de aangetoonde oorzaak van sterke achteruitgang; voor de ʻelepaio zelf is het effect van malaria niet apart gemeten. Sinds 2024 wordt op het eiland een muggenbestrijding met onverenigbare mannetjes beproefd.
Wetenschappelijke naam
Chasiempis sclateri | Ridgway, 1882
Robert Ridgway beschreef de soort in 1882 naar een exemplaar uit Waimea op Kauaʻi; auteur en jaartal staan zonder haakjes, want de vogel staat nog altijd in het geslacht Chasiempis. Die naam komt van het Griekse khaskō 'gapen', naar de wijde bek, en empis 'mug'. De soortnaam sclateri is een eerbetoon aan de Britse zoöloog Philip Lutley Sclater. De Hawaïaanse naam ʻelepaio geeft de roep weer; kanobouwers volgden de vogel naar koabomen en beschouwden hem als verschijningsvorm van hun beschermgodin Lea. Pikte hij in een geveld stuk hout, dan zat er houtworm in; liet hij het met rust, dan was het hout gaaf.


