Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Kleine wigstaartpijlstormvogel
Kleine wigstaartpijlstormvogel | Puffinus nativitatis
Christmas Shearwater | Pardela de Navidad
De kleine wigstaartpijlstormvogel is een geheel donkere, middelgrote pijlstormvogel van de tropische Grote Oceaan, en een van de buisneuzen die binnen het gidsgebied broeden: op de laaggelegen atollen van de noordwestelijke Hawaï-eilanden. Buiten het broedseizoen verspreidt hij zich wijd over de tropische Grote Oceaan.
Geluid
Op zee is de soort, zoals de meeste pijlstormvogels, vrijwel stil. Op de broedkolonie is hij overwegend een nachtdier dat vanuit een rotsspleet of dichte vegetatie roept; over het precieze geluid van deze soort is weinig gepubliceerd, maar het past bij het schorre, kakelende en jankende repertoire dat bij de meeste verwanten uit het geslacht Puffinus hoort.
Opname: Percy Ulsamer — CC BY-NC-SA 4.0 · Eastern Island Midway Atoll, United States · xeno-canto
Herkenning
Een geheel donkere pijlstormvogel, overwegend zwartbruin met een roestbruine zweem, vrijwel zonder het lichte ondervleugelpatroon van veel andere pijlstormvogels; alleen de kin en een smalle rand eronder zijn vaag lichter. De snavel is donker en duidelijk gehaakt, de poten zijn roze. De kop oogt relatief bol en de staart is kort in verhouding tot vergelijkbare soorten. Een apart juveniel kleed is niet beschreven; kuikens dragen donkergrijs dons.
Verwarringssoorten
De grauwe pijlstormvogel is veel groter en toont een duidelijke zilverachtige glans onder de vleugel die deze soort mist. De donkere kleedvorm van de wigstaartpijlstormvogel, die op dezelfde Pacifische eilanden broedt, heeft een langere, spits toelopende wigstaart en een lichtere snavel. De Bulwers stormvogel is veel kleiner en slanker, met een lange puntstaart, een lichte diagonale band over de bovenvleugeldekveren en een veel fladderiger vlucht.
Leefgebied
Op zee is dit een echt oceanische soort die ver van land boven diep, warm tropisch water foerageert en sterk afhankelijk is van roofvis en dolfijnen die kleine vis en inktvis naar het oppervlak drijven. Hij broedt in kolonies op laaggelegen, schaars begroeide koraal- en zandeilanden, waar hij nestelt in rotsspleten, onder struiken of in ondiepe holen, minder diep gegraven dan bij de meeste andere leden van het geslacht.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
De soort broedt verspreid over eilanden van de centrale en oostelijke tropische Grote Oceaan; binnen dit gidsgebied geldt dat voor de noordwestelijke Hawaï-eilanden, met Laysan, Lisianski, Nihoa en Midway-atol als belangrijkste kolonies en samen minder dan drieduizend paar. De eieren worden er vanaf februari gelegd en de laatste jongen vliegen pas in oktober of november uit, waarna de kolonies grotendeels leeglopen. Buiten het broedseizoen verspreiden de vogels zich wijd over de tropische Grote Oceaan, met verspreide, onregelmatige waarnemingen tot voor de kust van Mexico en Guatemala.
- Broedvogel (zomer)
Waar en wanneer kijken
Voor gewone waarnemers is deze soort binnen dit gidsgebied vrijwel ontoegankelijk: de broedeilanden liggen in het beschermde Papahanaumokuakea-zeemonument, dat gesloten is voor bezoek, en de rest van het jaar verspreidt de vogel zich over open oceaan ver van elke vaargeul. Alleen op een onderzoeksvaart binnen het monument, of bij uitzondering op een pelagische tocht ver ten noordwesten van de hoofdeilanden, is een waarneming denkbaar.
Staat van instandhouding
De soort geldt wereldwijd als niet bedreigd (LC), maar de Hawaïaanse broedpopulatie van minder dan drieduizend paar is kwetsbaar voor ingevoerde ratten en verwilderde katten, voor habitatverlies door ingevoerde konijnen en planten, en op sommige eilanden voor ingevoerde mieren die kuikens doden.
Wetenschappelijke naam
Puffinus nativitatis | Streets, 1877
De Amerikaanse marinearts en natuuronderzoeker Thomas Hale Streets beschreef de soort in 1877 als Puffinus (Nectris) nativitatis, waarbij Nectris destijds als ondergeslacht van Puffinus werd gebruikt; omdat de soort in het geslacht Puffinus is gebleven, staan auteur en jaartal zonder haakjes. Het geslacht Puffinus werd al in 1760 ingevoerd door Brisson. De soortaanduiding nativitatis is Latijn voor 'van de geboorte' en verwijst naar Christmaseiland (Kiritimati) in de centrale Grote Oceaan, waar het eerste exemplaar werd verzameld en dat ook de typelocatie is.

