Alle soorten › Futen › Futen › Kuifduiker

Kuifduiker | Podiceps auritus

Horned Grebe | Zampullín cuellirrojo

De kuifduiker is de kleine fuut van het hoge noorden: in broedkleed roodbruin en zwart, met een brede goudgele veerstreep die van de snavel over het rode oog naar het achterhoofd loopt en die de vogel als twee hoorns kan opzetten. In winterkleed is hij scherp zwart-wit en drijft hij in kleine groepjes vlak onder de kust. Van alle futen van het werelddeel liep hij in de laatste halve eeuw het hardst terug; sinds 2015 staat de soort als kwetsbaar te boek.

Kuifduiker (Podiceps auritus)
Foto: Ekaterina Chernetsova (Papchinskaya) — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op het broedwater klinkt een luid, nasaal aaarh dat in toonhoogte zakt en op een ratelende triller eindigt; over een stille poel draagt het honderden meters. Partners laten die triller vaak tegelijk horen, zodat het als een ruw duet over het water gaat. Bij onrust volgt een kort, hoog kiek, en jongen die om voer bedelen piepen aanhoudend als kuikens. Buiten de broedtijd is hij vrijwel stil: op zee en op de stuwmeren hoor je hem niet.

Luister: ZangXC795406

Opname: Alan Dalton — CC BY-NC-SA 4.0 · Sörmlandsleden etapp 4 - Tyresta by, Haninge Municipality, Stockholms län, Sweden · xeno-canto

Herkenning

In broedkleed zijn hals, voorborst en flanken kastanjerood en zijn kop en rug zwart; van de snavelbasis loopt over het rode oog een brede goudgele streep naar het achterhoofd. In winterkleed is de vogel zwart-wit: zwarte kruin en achterhals, een wit begrensde wang, een witte voorhals en een grijze rug. De kruin is vlak en het hoogste punt ligt boven het oog; de snavel is recht, dun en heeft een lichte punt. Man en vrouw zijn niet uit elkaar te houden; jonge vogels lijken op het winterkleed maar hebben een vuilere wang en een grijzere hals. Vliegen doet hij zelden, en dan laag over het water met snelle slagen, een witte vlek in de vleugel en de poten achter de staart uit.

Verwarrings­soorten

De geoorde fuut (Podiceps nigricollis) lijkt er in winterkleed het meest op: die heeft een spitse kruin, een iets opgewipte snavel en een vage grijze overgang tussen wang en kruin, waar de kuifduiker een vlakke kruin, een rechte snavel en een scherpe grens heeft. De roodhalsfuut is bijna anderhalf keer zo lang en veel zwaarder, met een lange gele snavel en een grauwe in plaats van witte voorhals. De dikbekfuut (Podilymbus podiceps) is bruin in plaats van grijs, heeft een korte, dikke snavel en toont in vlucht geen wit in de vleugel. De Amerikaanse dodaars is kleiner en donkerder en heeft een geel oog.

Leefgebied

Hij broedt op kleine, ondiepe zoetwaterplassen met riet, zegge of biezen langs de kant: prairiepoelen, veenplassen en de luwe hoeken van grotere meren, waar het nest als een drijvende hoop plantenmateriaal binnen enkele meters van de oever wordt gebouwd. Diepe, heldere en visrijke meren gebruikt hij nauwelijks, en snelstromend water mijdt hij. Buiten de broedtijd ligt hij op ondiep zout water: baaien, zeearmen, havenmonden en de strook net buiten de branding. In het binnenland gebruikt hij dan grote stuwmeren en diepe plassen, en op doortrek is elk groter open water goed genoeg voor een dag of wat.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Hij broedt in Alaska en door west- en midden-Canada tot in noordwest-Ontario, en zuidwaarts in een smalle strook van noordoost-Washington tot Minnesota; daarnaast zit een kleine, losse populatie op de Îles-de-la-Madeleine in de Golf van Sint-Laurens. Buiten Noord-Amerika broedt de soort ook in Noord-Europa en Noord-Azië. Overwinteren doet hij aan beide kusten: van zuidelijk Alaska tot Californië en de noordelijke Golf van Californië, en van Nova Scotia tot Texas, met kleinere aantallen op binnenmeren en stuwmeren. De zuidgrens van het broedgebied is in de twintigste eeuw naar het noorden opgeschoven; in de prairiestaten broedt hij op veel plassen niet meer waar hij een eeuw geleden gewoon was.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem tussen november en maart in een luwe baai of een havenmond, waar hij in groepjes van een paar vogels drijft en telkens tegelijk onderduikt. Let op de vlakke kruin en de scherp begrensde witte wang: dat is ook op afstand en in tegenlicht het verschil met de geoorde fuut. Wil je het broedkleed zien, ga dan eind april of begin mei naar de prairiepoelen van Alberta of Saskatchewan, waar de vogels dan roepend paren vormen.

Staat van instandhouding

De IUCN zette de soort in 2015 van niet bedreigd naar kwetsbaar (VU): wereldwijd nam het aantal in drie decennia met ongeveer dertig procent af, in Noord-Amerika met bijna tachtig procent. Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie van het werelddeel op zo'n 620.000 vogels. In Canada geldt de westelijke populatie als van bijzondere zorg en die van de Îles-de-la-Madeleine als bedreigd. Verstoring en houtkap rond de broedplassen, wisselende waterstanden, het uitzetten van forel in visloze meren, verdrinking in visnetten en olie in de kustwateren zijn de oorzaken die het vaakst worden genoemd.

Wetenschappelijke naam

Podiceps auritus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Colymbus auritus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Podiceps komt van het Latijn podex ('achterste') en pes ('voet'), naar de ver naar achteren geplaatste poten die alle futen kenmerken. auritus betekent 'geoord', van auris ('oor'), naar de goudgele veerbundels op de kop. De typelocatie is Zweden.