Alle soortenFutenFuten › Dikbekfuut

Dikbekfuut | Podilymbus podiceps

Pied-billed Grebe | Zampullín picogrueso

De dikbekfuut is de kleinste en meest verspreide fuut van Noord-Amerika, een gedrongen bruine duiker die zich eerder verraadt door zijn luide roep dan door zijn verschijning. Zijn dikke, kippenachtige snavel — in de broedtijd wit met een zwarte band — onderscheidt hem in één oogopslag van elke andere fuut. Hij broedt vrijwel overal waar zoet water met dichte oevervegetatie ligt, van Canadese poelen tot Caraïbische moerassen.

Dikbekfuut (Podilymbus podiceps)
Foto: Mike's Birds — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een luid, ver dragend en enigszins koekoeksachtig gekakel dat versnelt en dan weer vertraagt: kau-kau-kau-kau-kaup-kaup-kaup-kaup-kaup, gevolgd door een reeks kortere, klagende kau-tonen. Beide partners van een paar zingen, vooral in de vroege ochtend en aan het begin van het broedseizoen, om het territorium tegen soortgenoten af te bakenen. Wie in dicht riet of lisdodde zo'n gekakel hoort zonder de vogel te zien, hoort vrijwel zeker een dikbekfuut. Buiten de zang is hij stil en laat hij zich zelden horen.

Luister: ZangXC1090720

Opname: Pedro Sanetti — CC0 · Neuquen, Confluencia Department, Neuquén Province, Argentina · xeno-canto

Herkenning

In broedkleed is de dikbekfuut effen bruin met een zwarte keelvlek en de kenmerkende dikke, ivoorkleurige snavel met een brede zwarte band erdwars. Buiten het broedseizoen verdwijnen keelvlek en snavelband: dan is de vogel egaal vaalbruin met een effen lichte snavel, wat hem met andere kleine futen doet verwarren. Het lijf is kort en gedrongen, zonder zichtbare staart, en de vogel ligt laag in het water. Juveniele vogels hebben een gestreepte kop; de donsjongen zijn zebra-gestreept en worden vaak op de rug van een ouder meegedragen.

Verwarrings­soorten

In winterkleed lijkt hij op de geoorde fuut (Podiceps nigricollis) en de kuifduiker (Podiceps auritus), maar beide hebben een dunne, spitse snavel tegenover de dikke, stompe snavel van de dikbekfuut. In het uiterste zuiden van Texas overlapt hij met de veel kleinere en donkerder Amerikaanse dodaars (Tachybaptus dominicus), die een geel oog heeft. Van dobberende eenden en meerkoeten onderscheidt hij zich door zijn gewoonte om bij gevaar geruisloos weg te zinken in plaats van op te vliegen.

Leefgebied

Hij zoekt zoet water met dichte oevervegetatie: moerassen, rietkragen, ondiepe vijvers en langzaam stromende beken met lisdodde, zegge of waterplanten om het drijvende nest in te verankeren. Open, plantenloze meren mijdt hij evenals snelstromende rivieren en de open zee. Buiten het broedseizoen duikt hij ook op in grotere, minder begroeide wateren en soms in brakke kustlagunes.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedvogel in vrijwel heel de Verenigde Staten en het zuiden van Canada, van British Columbia tot Nova Scotia; standvogel in het zuiden van de Verenigde Staten, Mexico, Midden-Amerika en het Caraïbisch gebied tot diep in Zuid-Amerika. Noordelijke broedvogels trekken weg zodra het water dichtvriest en overwinteren zuidelijker, vaak niet ver van het broedgebied. Het areaal is in de afgelopen eeuw weinig veranderd; de soort blijft afhankelijk van de gezondheid van binnenlandse moerassen.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in de vroege ochtend langs de rand van een begroeide vijver of een rustig meertje, en luister eerder dan dat je kijkt: het gekakel draagt ver, terwijl de vogel zelf urenlang tussen de planten verscholen kan blijven. Verstoor je hem toch, dan duikt hij niet weg maar zakt hij geruisloos onder water tot alleen de kop nog boven staat.

Staat van instandhouding

Wijdverspreid en niet bedreigd, al is hij door zijn schuwe levenswijze lastig te tellen en blijven trends onzeker. De grootste bedreiging is de sluipende achteruitgang van kleine, begroeide zoetwatermoerassen door drainage en oeverbebouwing. Hij wordt niet bejaagd en profiteert plaatselijk van aangelegde vispoelen en waterzuiveringsmoerassen.

Wetenschappelijke naam

Podilymbus podiceps | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Colymbus Podiceps, in het toenmalige geslacht van de duikers; Lesson bracht hem in 1831 onder in het nieuwe geslacht Podilymbus, een samentrekking van Podiceps (het futengeslacht) en Colymbus (duiker) — vandaar de haakjes om auteur en jaartal. De soortnaam podiceps komt van het Latijn podex ('achterste') en pes ('voet'), naar de ver naar achteren geplaatste poten die alle futen kenmerken. De typelocatie was aanvankelijk 'Carolina'; in 1931 beperkte de American Ornithologists' Union die tot South Carolina.