Alle soortenFutenFuten › Roodhalsfuut

Roodhalsfuut | Podiceps grisegena

Red-necked Grebe | Somormujo cuellirrojo

De roodhalsfuut is de zwaarste fuut van het geslacht Podiceps in Noord-Amerika, met een dikke hals, een lange gele dolksnavel en in broedkleed een roodbruine hals onder een witte wang. Hij broedt op de bosmeren en prairieplassen van het noorden, waar hij een van de luidruchtigste watervogels is, en overwintert zwijgend op koud kustwater. Wie hem alleen in winterkleed kent, ziet een grauwe, forse vogel die weinig laat zien van de roepende zomervogel van juni.

Roodhalsfuut (Podiceps grisegena)
Foto: Dewhurst, Donna, bewerking: mario modesto — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

In het broedgebied is hij bijna onophoudelijk te horen: een lange reeks nasale, hinnikende klanken, ah-ooh ah-ooh ah-ooh, die versnelt en overgaat in een balkend geratel. Partners roepen door elkaar heen, zodat een meer met een paar paren klinkt alsof er veel meer vogels zitten. Daarnaast klinkt een klagend, katachtig miejauw en bij onraad een korte, harde kek. Op doortrek en in de winter is hij stil; op zee hoor je hooguit het klappen van vleugels bij een ruzie.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

In broedkleed zijn de hals en de voorborst roodbruin, de wang en de keel lichtgrijs tot wit en scherp begrensd, en de kruin zwart en enigszins gepiekt. De snavel is lang, zwaar en spits, zwart met een helder gele basis, en dat geel blijft het hele jaar te zien. In winterkleed is de vogel grauwbruin met een vuile hals, een lichte sikkel achter de wang en een minder scherp kopteken. Man en vrouw zijn gelijk; jonge vogels hebben tot in het najaar donkere strepen over de wang. In vlucht is hij zwaar en langgerekt, met twee witte vlekken in elke vleugel en de poten ver achter de staart.

Verwarrings­soorten

De kuifduiker (Podiceps auritus) en de geoorde fuut zijn beide veel kleiner en hebben in winterkleed een schone witte voorhals, terwijl de roodhalsfuut daar grauw blijft; hun snavel is bovendien dun en zonder geel. De zwanenhalsfuut is even lang maar veel slanker, met een lange witte hals, een dunne rechte snavel en een scherp zwart-wit kopteken. De dikbekfuut is kleiner, bruin en heeft een korte, stompe snavel. In winterkleed lijkt hij van veraf op een kleine duiker, maar die heeft een zwaardere borst, een donkere snavel zonder geel en houdt de kop niet zo hoog op de dikke hals.

Leefgebied

Hij broedt op ondiepe meren en veenplassen in het bos- en prairiegebied, met een rand van riet, zegge of biezen waarin het drijvende nest wordt vastgezet en met genoeg open water om te kunnen opvliegen. Rustige, weinig bevaren wateren gaan boven grote, drukke meren, en heel kleine poelen zijn te klein: hij heeft een aanloop nodig. Buiten de broedtijd zit hij op koud, ondiep zeewater — baaien, zeestraten en beschutte kustlijnen — en op de Grote Meren. Op doortrek pleistert hij op grotere binnenmeren en stuwmeren, vaak in gezelschap van duikeenden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Zijn Noord-Amerikaanse broedgebied ligt in Alaska en door heel west- en midden-Canada, met een zuidrand in Montana, de Dakota's, Minnesota en Wisconsin; buiten het werelddeel broedt de soort ook in Europa en Azië. In de winter zit hij aan de Grote Oceaan van de Aleoeten tot Californië en aan de Atlantische kust van Newfoundland tot Virginia en North Carolina, met kleinere aantallen op de open delen van de Grote Meren. De trek gaat grotendeels 's nachts en over land, en het najaar valt laat: op de Grote Meren komen de grootste aantallen pas in november langs. Tussen 2005 en 2015 namen de aantallen in Noord-Amerika met enkele procenten per jaar toe, terwijl de zuidgrens van het broedgebied tegelijk naar het noorden verschoof.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in november op een groot meer of aan een beschutte kust: een forse, grauwe fuut die alleen ligt, hoog op de hals, met geel dat bij goed licht aan de snavelbasis oplicht. In het broedgebied is hij makkelijker met het oor dan met het oog te vinden — ga bij zonsopgang naar een moerassig meer in Alberta of Minnesota en volg het hinniken. Vergelijk altijd de snavel: lang, zwaar en met geel aan de basis maakt de soort in elk kleed herkenbaar.

Staat van instandhouding

Partners in Flight schat de wereldwijde broedpopulatie op zo'n 160.000 vogels, en de soort staat als niet bedreigd te boek. Verdrinking in kieuwnetten, olie en andere vervuiling in de kustwateren, en het verdwijnen of verstoren van moerasrijke broedmeren zijn de bedreigingen die het vaakst worden genoemd. Omdat een groot deel van de vogels in de winter langs enkele beschutte kustzones samendrijft, kan één olieramp een aanzienlijk deel van een populatie treffen.

Wetenschappelijke naam

Podiceps grisegena | (Boddaert, 1783)

Pieter Boddaert beschreef de soort in 1783 als Colymbus grisegena; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Podiceps komt van het Latijn podex ('achterste') en pes ('voet'), naar de ver naar achteren geplaatste poten van de futen. grisegena is samengesteld uit griseus ('grijs') en gena ('wang') en betekent dus 'grijswangig', naar de lichte wang van het broedkleed. Bij de beschrijving werd geen vindplaats genoemd; Hartert en anderen wezen in 1912 Frankrijk aan als typelocatie.