Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Laplanduil

Laplanduil | Strix nebulosa

Great Grey Owl | Cárabo lapón

De laplanduil is de langste uil van Noord-Amerika, met de grootste gezichtssluier van alle roofvogels en kleine gele ogen die diep in die sluier liggen. Hij lijkt zwaarder dan de Amerikaanse oehoe maar weegt minder: het meeste van zijn omvang is veer. Op het gehoor vindt hij muizen onder een halve meter sneeuw.

Laplanduil (Strix nebulosa)
Foto: USFWSAlaska — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een reeks van tien tot vijftien lage, resonerende hoe-tonen die in zes tot acht seconden wegzakt in toonhoogte en volume, met een halve minuut stilte ertussen. Het mannetje klinkt dieper dan het vrouwtje; beide zingen, vooral van maart tot juli. Bij het nest en bij het overgeven van prooi klinkt een zachte dubbele hoep. De toon is zo laag dat hij op afstand eerder gevoeld dan gehoord wordt en in stil naaldbos over meer dan een kilometer draagt.

Luister: ZangXC992676

Opname: Eric Lewenhaupt — CC BY-NC-SA 4.0 · Aneby Municipality, Jonkoping County, Sweden · xeno-canto

Herkenning

Grijs, fijn gestreept en gevlamd, met een grote ronde gezichtssluier vol concentrische donkere ringen en zonder oorpluimen. De ogen zijn klein en geel, en onder de snavel staat een zwarte keelvlek met aan weerszijden een witte halvemaan — samen de 'witte strik' die de soort verraadt. Man en vrouw zien er gelijk uit; het vrouwtje is duidelijk groter. Jonge vogels zijn donkerder en wolliger, met een vagere sluier. In de vlucht vallen de brede vleugels, de lange staart en de lichte, trage vleugelslag op.

Verwarrings­soorten

De Amerikaanse oehoe is compacter, heeft oorpluimen, grote gele ogen en een witte keel zonder zwarte kin; in silhouet is de kopvorm beslissend. De gestreepte bosuil is kleiner en bruiner, met zwarte ogen en een veel kleinere sluier. De sneeuwuil is wit en zit in open toendra, niet in bos. Jonge laplanduilen worden bij een glimp voor gestreepte bosuilen aangezien; let op de gele ogen en de witte strik onder de snavel.

Leefgebied

Boreaal naaldbos en bergnaaldbos van sparren, dennen en lariks, altijd bij open plekken: veenmossen, muskeg (drassig veenmoeras met sparren, kenmerkend voor het boreale Canada), natte zeggeweiden, kapvlakten en bergweiden om in te jagen. Het bos levert oude roofvogel- of ravennesten en afgeknapte stompen om op te broeden, de open plek levert woelmuizen en goffers. In het westen van de Verenigde Staten zit hij tussen ongeveer 800 en 2300 meter. Gesloten bos zonder open plekken en volledig open land worden allebei gemeden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel van centraal Alaska oostwaarts door Yukon, de Northwest Territories en het boreale woud van Canada tot Quebec, en zuidwaarts in de bergen van Washington, Oregon, Idaho, Montana, Wyoming en Californië; Minnesota herbergt de belangrijkste populatie ten oosten van de Rocky Mountains. Hij trekt niet in vaste richting maar zwerft: in winters met weinig muizen schuiven grote aantallen naar het zuiden en oosten, tot in Wisconsin, Michigan, North Dakota en soms New England. De invasie van de winter 2004–2005 bracht duizenden vogels naar Minnesota, de grootste die is vastgelegd. Bergpopulaties zakken in de winter naar lager gelegen dalen.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Zoek hem aan de rand van een open plek in naaldbos rond zonsopgang en zonsondergang; anders dan de meeste uilen jaagt hij ook bij daglicht, vooral in de winter en als hij jongen voert, en zit dan zichtbaar laag op een paaltje of dode tak. Let op de ronde grijze kop boven het gras aan de bosrand: hij duikt van een lage post en slaat door de sneeuwkorst heen. In invasiewinters loont het wegen door veengebied te rijden, maar houd afstand — verzwakte vogels worden vaak aangereden.

Staat van instandhouding

Beoordeeld als niet bedreigd (LC); Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de wereldpopulatie op ongeveer 120.000 broedvogels, het grootste deel in het boreale woud. De aantallen schommelen sterk met het muizenaanbod, wat een trend moeilijk meetbaar maakt. Plaatselijk speelt het verdwijnen van dikke, afgeknapte broedbomen door houtkap, en in invasiewinters sterven veel vogels door aanrijdingen en honger. In Californië is de kleine populatie van de Sierra Nevada door de staat als bedreigd aangemerkt.

Wetenschappelijke naam

Strix nebulosa | Forster, 1772

Johann Reinhold Forster beschreef de soort in 1772 als Strix nebulosa, naar materiaal uit de handelsposten aan de Hudsonbaai; omdat ze sindsdien in hetzelfde geslacht is gebleven, staan auteur en jaartal zonder haakjes. Strix is Latijn voor een nachtvogel, ontleend aan het Griekse strinx, en werd in 1758 door Linnaeus ingevoerd. nebulosa betekent 'bewolkt' of 'nevelig', van nebula, 'nevel', naar het grijze, wolkig getekende verenkleed. Het beschreven exemplaar kwam van de Severn River aan de Hudsonbaai.