Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Gestreepte bosuil
Gestreepte bosuil | Strix varia
Barred Owl | Búho Barrado
De gestreepte bosuil is de meest gehoorde bosuil van oostelijk Noord-Amerika: fors en grijsbruin, met een ronde kop, zwarte ogen en een luide roep van acht of negen lettergrepen. In de twintigste eeuw breidde hij zijn areaal uit tot aan de Grote Oceaan, waar hij nu naast de gevlekte bosuil leeft.
Geluid
De roep is een van de best herkenbare vogelgeluiden van het continent: acht tot negen holle tonen, in het Engels weergegeven als who cooks for you, who cooks for you-all, met een wegzakkende laatste lettergreep. Paren roepen elkaar 's nachts toe in een luidruchtig duet van gekakel, geblaf, gegrom en gekrijs. Daarnaast klinkt een oplopend hoe-aaah en, bij ruzie, het knappen van de snavel. Hij is het luidst in de late winter, maar roept het hele jaar, soms ook overdag.
Opname: Doug Hynes — CC BY-SA 4.0 · Sand Pond National Wildlife Area, Nova Scotia, Canada · xeno-canto
Herkenning
Grijsbruin, met een ronde kop zonder oorpluimen en een bleke gezichtssluier met fijne donkere ringen. Het patroon van de onderzijde is beslissend: horizontale banden over keel en bovenborst, verticale strepen over buik en flanken. De ogen zijn donkerbruin tot bijna zwart, de snavel geel; vleugels en staart zijn bruin-wit gebandeerd. Man en vrouw lijken op elkaar, het vrouwtje is groter. In de vlucht valt de zware, platte kop op, waardoor hij ook op afstand geen havik kan zijn.
Verwarringssoorten
De gevlekte bosuil is kleiner en donkerder en heeft over de hele onderzijde ronde witte vlekken in plaats van banden en strepen; waar de twee elkaar in het westen overlappen komen hybriden voor, met een mengsel van beide. De Amerikaanse oehoe is groter, met oorpluimen en felgele ogen. De laplanduil is fors groter en grijzer, met gele ogen en een witte vlek onder de snavel. Elk silhouet met oorpluimen valt af op de ronde, oorloze kop.
Leefgebied
Uitgestrekt, niet versnipperd bos van enige leeftijd, het liefst gemengd en vochtig: moerasbossen, beekdalen, oevers en oude loofbossen met dikke stammen. Hij heeft boomholten nodig om in te broeden en jaagt vanaf lage takken in de onderetage. Open akkerland en jonge aanplant worden gemeden, maar in oudere buitenwijken met grote bomen zit hij vlak bij huizen. In het westen bezet hij ook naaldbos dat vroeger alleen de gevlekte bosuil herbergde.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel van zuidoostelijk Alaska en het zuiden van Canada door het oosten van de Verenigde Staten tot Florida en oostelijk Texas. Rond 1900 hield het areaal bij de Great Plains op; door boomaanplant, brandbestrijding en het verdwijnen van bizon en bever ontstond een bosstrook waarlangs de soort westwaarts trok. Hij bereikte British Columbia in 1943, Washington rond 1965, Oregon in 1972 en noordelijk Californië in 1976, en zit inmiddels in de Sierra Nevada. Trek is er niet: geringde vogels blijven hun leven lang in hetzelfde bos.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in februari of maart een uur na zonsondergang naar een vochtig loofbos bij water en luister; dit is de uil die het vaakst spontaan roept, en de partner antwoordt meestal binnen een minuut. Overdag verraadt hij zich door een luid alarm van gaaien en kraaien rond één boom. In het noordwesten van de Verenigde Staten is het noteren van roepende vogels van waarde: hun verspreiding wordt daar nauwkeurig gevolgd.
Staat van instandhouding
Niet beoordeeld door de IUCN in de lijst die deze gids volgt; Partners in Flight schat de populatie op ongeveer 3,5 miljoen vogels, met ruim één procent toename per jaar sinds 1966. Houtkap in oude bossen is plaatselijk nadelig en de Amerikaanse oehoe is zijn belangrijkste vijand, maar het bestand als geheel groeit. Waar hij het areaal van de gevlekte bosuil is binnengedrongen is het beeld omgekeerd: in 2024 besloot de Amerikaanse overheid tot het jaarlijks afschieten van maximaal ruim vijftienduizend gestreepte bosuilen in het westen, minder dan een half procent van het Noord-Amerikaanse bestand.
Wetenschappelijke naam
Strix varia | Barton, 1799
Benjamin Smith Barton beschreef de soort in 1799 als Strix varius, en omdat ze nooit van geslacht is veranderd staan auteur en jaartal zonder haakjes. De uitgang werd later aangepast aan het vrouwelijke geslachtswoord, zodat de naam nu Strix varia luidt. Strix is Latijn voor een nachtvogel, ontleend aan het Griekse strinx, en werd in 1758 door Linnaeus ingevoerd. varia betekent 'bont' of 'geschakeerd', naar het gebande en gestreepte verenkleed. Het beschreven exemplaar kwam uit Pennsylvania.




