Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Sperweruil
Sperweruil | Surnia ulula
Northern Hawk Owl | Cárabo gavilán
De sperweruil is de minst uilachtige uil van het noorden: lang van staart, spits van vleugel en overdag jagend vanaf de top van een dode spar. Zijn naam dankt hij aan de fijn gebandeerde onderzijde en aan de jachtvlucht, laag en snel over open boreale grond.
Geluid
De zang van het mannetje is een rollend, hoog gefloten oeloeloeloeloeloel dat wel veertien seconden kan doorgaan, voorgedragen tijdens een baltsvlucht in het voorjaar. Het vrouwtje antwoordt met een kortere, ruwere versie. Het alarm is een schorre kreet gevolgd door een snel herhaald, rasperig kip kip kip, dat iedereen te horen krijgt die een nestboom nadert. Buiten de broedtijd, en dus ook bij de vogels die 's winters zuidelijker opduiken, is hij vrijwel zwijgzaam.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Middelgroot, met een platte kop zonder oorpluimen, een lange spitse staart en korte puntige vleugels — in silhouet eerder een valk of een havik dan een uil. Het witte gezicht wordt aan weerszijden scherp begrensd door een zwarte streep, met gele ogen daarboven. De bovendelen zijn bruin met witte stippen, de onderdelen fijn dwarsgebandeerd in bruin op wit. Man en vrouw zijn gelijk gekleurd; jonge vogels hebben een donkerdere, minder gestippelde kop. Hij zit vrijwel altijd op het allerhoogste punt van een boom, iets voorovergebogen, en vliegt met diepe, krachtige slagen en lange glijvluchten laag over de grond.
Verwarringssoorten
Geen andere Noord-Amerikaanse uil combineert een lange staart, een zwart omlijst gezicht en fijne dwarsbandering. De laplanduil is veel groter en grijzer, met een enorme ronde gezichtssluier en zonder lange staart. De bergdwerguil heeft ook een lange staart en jaagt ook overdag, maar is nauwelijks een derde zo groot en draagt twee donkere schijnogen op de nek. Een sperweruil op een paal wordt op afstand voor een kleine valk als het smelleken aangezien, maar valken zijn van onderen gestreept in plaats van gebandeerd en hebben een donker gemaskerd gezicht zonder bleke sluier.
Leefgebied
Open naaldbos en gemengd bos aan de rand van moerassen, veen, kapvlakten en brandplekken, verspreid over de hele boreale gordel. Hij mijdt dicht, gesloten sparrenbos: hij heeft losstaande hoge uitkijkpunten nodig met open grond eronder om op woelmuizen te loeren. Verbrande percelen vol staand dood hout zijn een voorkeursplek, zowel om vanaf te jagen als om in te broeden, in een spechtenholte of een afgeknapte stam. Anders dan bijna alle uilen jaagt hij hoofdzakelijk overdag, met een piek rond zonsopgang en zonsondergang; hij jaagt ook 's nachts, maar het meeste werk doet hij in het licht.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel van de boreale wouden van Alaska en Canada, van Yukon en Brits-Columbia tot Labrador, en in dezelfde gordel dwars door Noord-Europa en Siberië. Hij trekt niet in de gewone zin, maar in winters waarin de woelmuizenstand instort zakken vogels onregelmatig zuidwaarts tot in Minnesota, Wisconsin, Michigan, Maine en de Canadese Maritieme provincies; zulke invasies komen om de paar jaar en trekken dan veel waarnemers. Tussen die jaren door kan hij ten zuiden van de boreale grens volledig ontbreken. In het zuiden van het areaal is hij door grootschalige houtkap plaatselijk schaarser geworden.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in een invasiewinter langs open wegen door jong bos en over kapvlakten en kijk telkens naar de allerhoogste tak van elke losstaande dode boom: hij zit bijna altijd op het uiterste puntje en is daardoor op honderden meters te zien. Omdat hij overdag jaagt, is het middaguur even goed als de schemering. Hij is opvallend weinig schuw en blijft vaak zitten terwijl je passeert — geen uitnodiging om dichterbij te komen, wel de kans om rustig op de staartlengte en het zwart omlijste gezicht te letten.
Staat van instandhouding
De wereldwijde broedpopulatie wordt op ongeveer 200.000 vogels geschat en de soort staat op geen enkele zorglijst. De aantallen schommelen sterk met de cyclus van woelmuizen en lemmingen, waardoor één telling weinig zegt. Grootschalige kaalkap neemt zowel de nestholten als de uitkijkposten weg en is daarmee de belangrijkste bedreiging.
Wetenschappelijke naam
Surnia ulula | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Strix Ulula; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Surnia werd in 1806 ingevoerd door Duméril, die er geen verklaring bij gaf — de naam heeft geen bekende betekenis. ulula is Latijn voor een krassende uil, van ululare, huilen of jammeren. De oorspronkelijke beschrijving gold Europa; de typelocatie is later beperkt tot Zweden, naar Linnaeus' Fauna Svecica.



