Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Lecontes gors

Lecontes gors | Ammospiza leconteii

LeConte's Sparrow | Gorrión de Le Conte

Lecontes gors is een kleine, oranjegele gors van natte zeggeweiden en veenland in het binnenland van Canada en de noordelijke prairiestaten. Hij loopt vrijwel altijd door de onderste laag van de vegetatie en komt zelden in het open; de meeste waarnemingen beginnen met een zingend mannetje dat je op het gehoor moet zien te vinden.

Lecontes gors (Ammospiza leconteii)
Foto: Laura Erickson — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een korte, insectachtige reeks van hooguit twee seconden: een dun inleidend piepje, dan een droge zoemtoon en een kort eindnootje, vaak weergegeven als tika-zzzzzzz-tik. Het volume is laag en de toon ligt hoog, zodat de zang op enige afstand wegvalt tegen sprinkhanen en wind. Zingen gebeurt vooral in de schemering en 's nachts, meestal vanuit dekking en soms vanaf een zeggestengel. De roep is een kort tsip.

Luister: ZangXC598435

Opname: Peter Ward and Ken Hall — CC BY-NC-SA 4.0 · Fraser-Fort George H (near Tête Jaune Cache), Fraser-Fort George, British Columbia, Canada · xeno-canto

Herkenning

De kop is het kenmerk: een oranjegeel gezicht met een grijze oorstreek, een donkere kruin met een smalle witte middenstreep en een lila- tot parelgrijze nek met fijne kastanjebruine streepjes. De borst en flanken zijn oranjeachtig geel met korte donkere streepjes, de buik is vuilwit. De rug is bruin met beige mantelstrepen. De staart is kort en puntig, de snavel klein en grijs. Man en vrouw zien er gelijk uit.

Verwarrings­soorten

De sprinkhaangors heeft een bleker, minder oranje gezicht zonder grijze nek en mist de fijne kastanjestreepjes op de nek. Nelsons spitsstaartgors is grijzer op de rug, heeft een egaler oranje gezichtsdriehoek en leeft in brakke of zoute moerassen in plaats van zeggeland. De bairdgors heeft een okergele kop maar een zwaardere, korte snavel en een halsband van fijne streepjes op een verder witte borst. Bij Lecontes gors horen de grijze nek met kastanjestreepjes en de gele borstband altijd samen.

Leefgebied

Natte zeggeweiden, veenland en muskeg (drassig veenmoeras met sparren, kenmerkend voor het boreale Canada) met dichte grassen en zeggen en weinig houtige opslag. Hij broedt waar het grondwater hoog staat maar het terrein niet blank staat, aan de randen van veenpoelen en langs meeroevers. Het beheer bepaalt veel: zonder brand, maaien of periodieke overstroming groeit het terrein binnen enkele jaren dicht met struiken en verdwijnt de soort. In de winter zit hij in ruig, vochtig grasland, gemaaide rijstvelden, stoppelland en de droge rand van kustmoerassen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het broedgebied loopt van Noordoost-Brits-Columbia en Alberta oostwaarts door Saskatchewan en Manitoba tot Centraal-Ontario en West-Quebec, en zuidwaarts tot Montana, North Dakota, Minnesota en Noord-Michigan. De trek gaat door de Great Plains en het Mississippidal. Overwinterd wordt in de zuidelijke Verenigde Staten, van Centraal-Texas en Oklahoma oostwaarts tot Georgia, de Carolina's en Noord-Florida, met het zwaartepunt in de kustvlakte van Louisiana, Mississippi en Alabama.

  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga in mei of juni vroeg in de ochtend of laat op de avond langs een nat zeggeveld en luister naar de zoemtoon; zichtwaarnemingen komen meestal doordat een mannetje enkele seconden op een stengel klimt. In de winter is doorlopen van een vochtig graspoldertje effectiever dan wachten: de vogel vliegt kort en laag op en duikt na een paar meter weer in het gras.

Staat van instandhouding

De Rode Lijst houdt de soort op niet bedreigd (LC), maar de Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) wijst op een afname van ongeveer 1,7 procent per jaar en een gezamenlijke achteruitgang van circa 64 procent tussen 1966 en 2023. Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 5,1 miljoen vogels en plaatst de soort op de lijst van kantelpunt-soorten. Ontwatering van veen en zeggeland, omzetting naar akkerbouw en het dichtgroeien van niet-beheerde percelen zijn de belangrijkste oorzaken.

Wetenschappelijke naam

Ammospiza leconteii | (Audubon, 1844)

Audubon beschreef de soort in 1844 als Emberiza le conteii, naar exemplaren van de prairies aan de bovenloop van de Missouri; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam eert de Amerikaanse natuuronderzoeker John Lawrence LeConte. Het geslacht Ammospiza komt van het Griekse ammos 'zand' en spiza 'vink', dus 'zandvink', naar de zandige en moerassige grond waarop de soorten van dit geslacht leven.