Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Kweldergors
Kweldergors | Ammospiza maritima
Seaside Sparrow | Chingolo costero
De kweldergors is de grootste en donkerste van de moerasgorzen en komt vrijwel nergens anders voor dan in de zoute en brakke kwelders van de Atlantische en de Golfkust. Hij heeft een lange, zware snavel waarmee hij tussen de slijkgrasstengels naar zaad en tussen het slik naar krabbetjes en wormen zoekt.
Geluid
De zang is een schorre, gedempte reeks: enkele korte inleidende notities gevolgd door een rauwe zoemtriller, vergelijkbaar met een epauletspreeuw op grote afstand. Het geluid draagt slecht en verdwijnt in wind over open kwelder. Mannetjes zingen vanaf een stengeltop of in een korte zangvlucht die enkele meters boven het gras uitkomt. De roep is een scherp, laag tsjek.
Opname: Linda Stehlik — CC BY-NC-SA 4.0 · Little Egg Harbor Township (near Galloway), Ocean County, New Jersey, United States · xeno-canto
Herkenning
Een grote, stevige gors met korte, puntige staart en een lange, spitse snavel die duidelijk zwaarder is dan bij andere moerasgorzen. De bovendelen zijn grijsbruin en weinig gestreept, de onderdelen grijsbeige met vage donkere streping. Op de kop vallen een gele vlek voor het oog, een witte keel en een donkere baardstreep op. De acht ondersoorten verschillen sterk in kleur: de vogels van de Golfkust zijn bruiner en warmer, die van de Atlantische kust grijzer, en de mirabilis van Cape Sable is grijsgroen en scherper gestreept.
Verwarringssoorten
Spitsstaartgors en Nelsons spitsstaartgors zijn kleiner, hebben een kortere snavel en een oranje gezichtsdriehoek die de kweldergors volledig mist; bij hen is het gezicht oranje met grijs, bij de kweldergors grijs met een gele stip. De savannahgors van kwelders is kleiner, heeft een kortere snavel, duidelijke streping op de borst en gele wenkbrauwstreep in plaats van een gele vlek. Staartlengte en snavelvorm zijn ook in slecht licht bruikbaar.
Leefgebied
Zoute en brakke kwelders met slijkgras en zoutgras, vooral de hogere randen en de kreekoevers waar het nest boven het springtij blijft. Hij foerageert lopend over het slik en klimmend langs de stengels. De populatie van Cape Sable in Zuid-Florida wijkt af en houdt zich op in zoetwaterprairie van de Everglades met zeggen en molinia-achtig gras. Buiten de kwelder wordt hij vrijwel nooit gevonden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het areaal loopt langs de Atlantische kust van Zuid-New Hampshire en Massachusetts zuidwaarts tot Florida en verder langs de Golfkust tot Zuid-Texas. Alleen de noordelijke ondersoort maritima trekt: die verlaat de kwelders van New England, New York, New Jersey en Chesapeake Bay in de herfst en overwintert langs de kust van de zuidelijke staten. De vogels van de Carolina's, Georgia, Florida en de Golfkust blijven het hele jaar in hetzelfde moeras.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Kies het hoogwater van een springtij: de vogels worden dan naar de hoogste randen van de kwelder gedreven en zitten korte tijd zichtbaar op stengels en aanspoelsel. Op een kwelderpad in mei laten de mannetjes zich zingend horen; let op het silhouet met de lange snavel en de korte staart, want de kleur zegt van soort tot plaats maar weinig.
Staat van instandhouding
De soort is wereldwijd niet bedreigd (LC); Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 200.000 vogels, vrijwel allemaal in de Verenigde Staten, en de Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) laat sinds 1966 geen duidelijke trend zien, al is de betrouwbaarheid van die reeks laag. De soort staat op de gele aandachtslijst vanwege het kleine, aaneengesloten areaal. Bedreigingen zijn het graven van muggengreppels, inpoldering en bebouwing van kwelders, verontreiniging door pesticiden en zeespiegelstijging. De ondersoort mirabilis van Cape Sable is federaal beschermd als bedreigd; de nigrescens van de Atlantische kust van Florida stierf in 1987 uit.
Wetenschappelijke naam
Ammospiza maritima | (Wilson, 1811)
Alexander Wilson beschreef de soort in 1811 als Fringilla maritima, naar vogels van de zee-eilanden van de Atlantische kust; het type werd later vastgelegd op Great Egg Harbor in New Jersey. Omdat de soort nu in een ander geslacht staat, gaan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam maritima is Latijn voor 'van de zee'. Het geslacht Ammospiza komt van het Griekse ammos 'zand' en spiza 'vink'.



