Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Nelsons spitsstaartgors
Nelsons spitsstaartgors | Ammospiza nelsoni
Nelson's Sparrow | Chingolo de Nelson
Nelsons spitsstaartgors is een kleine moerasgors met een oranje gezichtsdriehoek en een grijze nek, die in drie van elkaar gescheiden gebieden broedt: de zoetwatermoerassen van de prairieprovincies, de zeggevenen langs de Hudsonbaai en de kwelders van Atlantisch Canada en Maine. Tot 1995 werd hij samen met de spitsstaartgors als één soort behandeld.
Geluid
De zang is kort en weinig muzikaal: een haastige, schorre triller van ongeveer een seconde die klinkt als een druppel water op een hete pan, ingeleid door twee of drie zachte tikjes. Hij wordt zowel vanuit dekking als in een lage zangvlucht voorgedragen en is vooral in de vroege ochtend en na zonsondergang te horen. De roep is een dun, hoog tsip.
Opname: Matt Wistrand — CC BY-NC-SA 4.0 · Prairie Green, Kane County, Illinois, United States · xeno-canto
Herkenning
De kop is oranje tot okergeel op de wenkbrauwstreep en de wangrand, met een grijze oorstreek en een grijze middenkruinstreep; de nek is grijs. De borst is oranjebeige met vage, zachte streping die naar de flanken toe sterker wordt; de keel en de buik zijn wit. De rug is grijsbruin met witte mantelstrepen, de staart kort en puntig. De ondersoorten verschillen: de vogels van de Atlantische kust zijn grijzer en doffer, die van de prairie het helderst oranje.
Verwarringssoorten
De spitsstaartgors, die in Maine en New Brunswick naast hem broedt, heeft een scherp afgetekende, zwarte streping op een witte borst, een langere en spitsere snavel en een platter voorhoofd; bij Nelsons spitsstaartgors is de borststreping vaag en diffuus en loopt het oranje ononderbroken over de borst. De kweldergors is veel groter, grijzer en langsnaviger en mist het oranje gezicht. Lecontes gors heeft een witte middenkruinstreep en fijne kastanjestreepjes op een lila nek en leeft in zeggeweiden met zoet water.
Leefgebied
In het binnenland ondiepe zoetwatermoerassen, verlandende prairiepoelen en natte zeggeweiden met lisdodde en biezen; aan de Hudsonbaai zeggevenen net boven de invloed van het getij; aan de Atlantische kust de hogere delen van brakke en zoute kwelders, vaak samen met de spitsstaartgors, en aangrenzende ruige weilanden. In de winter uitsluitend zoute en brakke kustmoerassen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het binnenlandse broedgebied loopt van Alberta door Saskatchewan en Manitoba tot North Dakota, South Dakota, Minnesota en Montana; de Hudsonbaai-populatie broedt langs de kust van Manitoba, Ontario en Quebec; de Atlantische populatie in Quebec, New Brunswick, Nova Scotia, Prince Edward Island en Maine. De trek van de binnenlandse vogels gaat door de Great Plains en het Mississippidal naar de Golfkust. Overwinterd wordt in de kustmoerassen van Texas tot Virginia, met de grootste aantallen langs de Golfkust en de Carolina's.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
In september en oktober, als binnenlandse en kustvogels samen door de kwelders trekken, geeft hoogwater de beste kans: loop langzaam een kwelderpad af en let op kleine, kortstaartige gorzen die in het slijkgras opduiken. Let bij elke vogel eerst op de borst — vaag en oranje bij Nelsons, scherp zwart gestreept op wit bij de spitsstaartgors.
Staat van instandhouding
De soort is niet bedreigd (LC). Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de wereldpopulatie op ongeveer een miljoen vogels en de Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) laat tussen 1966 en 2015 een stabiele tot licht stijgende trend zien; de Continental Concern Score (de Noord-Amerikaanse zorgscore van 1 tot 20) is 12 van 20. Het beeld verschilt per populatie: de Atlantische ondersoort telt naar schatting hooguit 25.000 vogels, die vrijwel allemaal in kwelders broeden die door zeespiegelstijging worden overstroomd. In het binnenland zijn droogleggen van prairiepoelen en maaien tijdens het broedseizoen de knelpunten.
Wetenschappelijke naam
Ammospiza nelsoni | (Allen, 1875)
Joel Asaph Allen beschreef de vorm in 1875 als Ammodromus caudacutus nelsoni, naar een exemplaar uit de Calumet-moerassen bij Chicago; omdat de naam nu in een ander geslacht en op soortniveau staat, gaan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam eert de Amerikaanse natuuronderzoeker Edward William Nelson, die de vogel in Illinois verzamelde. Het geslacht Ammospiza komt van het Griekse ammos 'zand' en spiza 'vink'.




