Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Spitsstaartgors
Spitsstaartgors | Ammospiza caudacuta
Saltmarsh Sparrow | Chingolo colifino
De spitsstaartgors broedt uitsluitend in de getijdenkwelders van de Atlantische kust van de Verenigde Staten en nergens anders ter wereld. Het nest staat enkele centimeters boven het water en de hele broedcyclus is afgestemd op het ritme van de springtijen; juist die afhankelijkheid maakt de soort tot een van de snelst afnemende zangvogels van Noord-Amerika.
Geluid
De zang is zacht en weinig opvallend: een reeks schorre zoemtonen, trillers en gorgelende notities die op enkele tientallen meters al nauwelijks te horen is. Alleen mannetjes zingen, vaak in een korte vlucht boven het gras. Er is geen zangpost en geen territoriumgrens die met zang wordt verdedigd — de mannetjes zwerven over de kwelder. De roep is een kort, scherp tsjip.
Opname: Kelly Faller — CC BY-NC-SA 4.0 · Cattus Island County Park (near Toms River), Ocean County, New Jersey, United States · xeno-canto
Herkenning
Een kleine gors met een korte, puntige staart, een plat voorhoofd en een lange, spitse snavel. De wenkbrauwstreep en de wangrand zijn helder oranje en steken scherp af tegen een grijze oorstreek en een grijze middenkruinstreep. De borst is wit tot licht oranje met smalle, scherp begrensde zwarte streepjes die zich tot de flanken voortzetten. De rug is bruin met duidelijke witte mantelstrepen. Man en vrouw zien er gelijk uit.
Verwarringssoorten
Nelsons spitsstaartgors is het enige echte probleem en broedt in Maine en New Brunswick in dezelfde kwelders: die heeft een vage, diffuse borststreping op een doorlopend oranjebeige ondergrond, een kortere snavel en een ronder voorhoofd. Bij de spitsstaartgors zijn de streepjes smal, zwart en scherp afgetekend op wit. De kweldergors is aanzienlijk groter en grijzer zonder oranje in het gezicht; de kwelderondersoorten van de savannahgors hebben een gevorkte staart en een gele wenkbrauwstreep.
Leefgebied
Zoute en brakke getijdenkwelders met zoutgras en slijkgras, vooral de hoger gelegen delen die alleen bij springtij onderlopen. Hij nestelt in de dichte zode zes tot vijftien centimeter boven het maaiveld en voert het broedsel uit binnen de ruim drie weken tussen twee springtijen. Buiten het broedseizoen blijft hij in kwelders, iets zuidelijker langs dezelfde kust. Binnenland en zoetwatermoeras gebruikt hij niet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied ligt aan de Atlantische kust van Zuid-Maine en New Hampshire zuidwaarts via Massachusetts, Connecticut, New York, New Jersey en Delaware tot de Chesapeake Bay in Maryland en Virginia. In de winter schuift de populatie op naar de kust van North Carolina tot Noord-Florida, met de grootste concentraties in de Carolina's en Georgia. Buiten deze kuststrook is de soort een uitzondering.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop in juni bij opkomend tij een kwelderpad in New Jersey of Connecticut en let op vogels die over het gras scheren; ze zitten zelden lang op een uitkijkpost. Zoek vervolgens gericht naar de scherpe zwarte borststreepjes, want alleen daarmee scheid je de soort in het veld van Nelsons spitsstaartgors.
Staat van instandhouding
De IUCN plaatst de soort in de categorie bedreigd (EN). Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 60.000 vogels, en tellingen over het hele areaal wezen tussen 1998 en 2012 op een afname van circa 9 procent per jaar, samen ongeveer driekwart van de populatie. De soort staat in de State of the Birds van 2025 (het tweejaarlijkse Noord-Amerikaanse statusrapport) als rode kantelpunt-soort. De belangrijkste oorzaak is overstroming van nesten door zeespiegelstijging en zwaardere stormvloeden; daarnaast spelen inpoldering, muggengreppels, uitbreiding van riet en een relatief hoge kwikbelasting mee. Voorgestelde maatregelen zijn het beperken van getijdenstroming op korte termijn en het openhouden van hoger gelegen land waar de kwelder landinwaarts kan meeschuiven.
Wetenschappelijke naam
Ammospiza caudacuta | (Gmelin, 1788)
Johann Friedrich Gmelin beschreef de soort in 1788 als Oriolus caudacutus, naar een vogel uit New York; de plaatsing bij de wielewalen is later gecorrigeerd, en daarom staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam is samengesteld uit het Latijnse cauda 'staart' en acutus 'spits', naar de puntige staartveren. Het geslacht Ammospiza komt van het Griekse ammos 'zand' en spiza 'vink'.


