Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Savannahgors

Savannahgors | Passerculus sandwichensis

Savannah Sparrow | Chingolo sabanero

De savannahgors is de talrijkste gors van open grasland in Noord-Amerika en broedt van de toendra van Alaska tot de weilanden van Nieuw-Engeland en de kwelders van Californië. Onder de naam gaan zeventien ondersoorten schuil die in grootte, kleur en snavelvorm sterk uiteenlopen, van de bleke Ipswichgors van de duinen tot de grote diksnavelvorm van de Golf van Californië.

Savannahgors (Passerculus sandwichensis)
Foto: Mykola Swarnyk — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang begint met twee of drie korte, hoge tsip-notities, gevolgd door een lange, ijle zoemtoon en een tweede, lagere zoem: samen ongeveer twee seconden. Hij wordt vanaf een hek, een distel of een grasstengel voorgedragen en is op een open weiland ver hoorbaar. De roep is een dun, scherp tsit, dat ook 's nachts van trekkende vogels te horen is.

Luister: ZangXC1138977

Opname: Greg Irving — CC BY-NC-SA 4.0 · Schmuck Road, Sequim, Clallam County, Washington, United States · xeno-canto

Herkenning

Een middelgrote, kortstaartige gors met een gevorkte staart, roze poten en een korte, kegelvormige snavel. De bovendelen zijn bruin met zwarte streping, de onderdelen wit met fijne donkere streepjes die op de borst vaak in een centrale vlek samenlopen. Het kenmerk waarop je afgaat is de gele of geelachtige wenkbrauwstreep voor het oog, samen met een bleke middenkruinstreep. De mate van geel wisselt sterk: bij sommige vogels is de streep helder geel, bij andere nauwelijks warmer dan de rest van de kop.

Verwarrings­soorten

De zanggors is groter, heeft een lange, afgeronde staart, bredere borststreping en mist geel in het gezicht. De sprinkhaangors heeft een platte kop, een ongestreepte okergele borst en een grotere snavel. De lincolngors heeft een okergele borstband over de fijne streping en een grijze wenkbrauwstreep. In kwelders is verwarring met spitsstaart- en kweldergorzen mogelijk: die hebben een korte, puntige staart zonder vork en een oranje of grijs, niet geel, gezichtspatroon.

Leefgebied

Open, kruidig grasland zonder of met weinig bomen: hooiland, weiland, prairie, akkerranden, hoogveen en arctische toendra. Langs de kust broeden aparte ondersoorten in kwelders, op duinen en in estuaria. In de winter zijn stoppelvelden, overhoeken, laag struweel aan de woestijnrand en kustmoerassen in gebruik. De soort is niet aan een bepaalde grassoort gebonden, wel aan lage, dichte vegetatie waar hij lopend in kan foerageren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het broedgebied beslaat vrijwel heel Alaska en Canada tot de arctische kust en het noorden van de Verenigde Staten, zuidwaarts tot Californië, Nevada, Utah, Colorado en in het oosten tot Maryland. Overwinterd wordt in de zuidelijke Verenigde Staten en over vrijwel heel Mexico, tot in Oaxaca en Chiapas. Standvogel is hij langs de kust van Californië en Neder-Californië, rond de Golf van Californië en in de hooglanden van Centraal-Mexico. In Europa is hij een zeldzame dwaalgast.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Loop in mei of juni langs een hekkenrij bij een hooiland en wacht op een zingend mannetje; vanaf een paal zie je de gele wenkbrauwstreep meestal in één blik. In de winter is de soort in groepen op stoppelvelden te vinden — let bij het opvliegen op de korte gevorkte staart, want in een gemengde groep gorzen is dat het snelste onderscheid.

Staat van instandhouding

De IUCN classificeert de soort, ook in de huidige taxonomische afbakening, als niet bedreigd (LC). Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de wereldpopulatie op ongeveer 170 miljoen vogels. Toch daalde het aantal volgens de Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) tussen 1966 en 2019 met ruwweg 45 procent. Intensivering van de landbouw, vroeg en frequent maaien tijdens het broedseizoen, omzetting van hooiland in akker en blootstelling aan bestrijdingsmiddelen zijn de aangewezen oorzaken. Enkele kustvormen hebben een eigen status: de Beldings-ondersoort van de Californische kwelders geldt in Californië als bedreigd.

Wetenschappelijke naam

Passerculus sandwichensis | (Gmelin, 1789)

Johann Friedrich Gmelin beschreef de soort in 1789 als Emberiza sandwichensis, naar een exemplaar van Unalaska in de Aleoeten; de soortnaam verwijst naar Sandwich Sound, de naam die James Cook aan het huidige Prince William Sound in Alaska gaf. Omdat de soort later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Passerculus is het Latijnse verkleinwoord van passer 'mus', dus 'musje'. De Engelse naam gaat terug op de stad Savannah in Georgia, waar Alexander Wilson een exemplaar verzamelde.