Alle soortenZangvogelsAmerikaanse gorzen › Bairdgors

Bairdgors | Centronyx bairdii

Baird's Sparrow | Chingolo de Baird

De bairdgors is een gors van de ongeploegde gemengde prairie van de noordelijke Great Plains, met een brede okergele middenstreep over de kruin en een smalle ketting van fijne streepjes over de borst. Hij broedt in een strook van Alberta, Saskatchewan en Manitoba tot Montana en de Dakota's en overwintert in de grasvlakten van de Chihuahuawoestijn.

Bairdgors (Centronyx bairdii)
Foto: USFWS Mountain-Prairie — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

De zang bestaat uit twee tot vier heldere, iets stijgende tsip-notities die overgaan in een dunne, rinkelende triller: tsip tsip tsip tr-r-r-r-ie. Hij klinkt ijler en muzikaler dan het insectachtige gezoem van de sprinkhaangors. Het mannetje zingt vanaf een grassprietje, een distel of een hekpaal, vaak nog laat op de avond. De roep is een scherp, hoog tsip, in de winter meestal het enige wat je hoort.

Luister: ZangXC451070

Opname: Justin Watts — CC BY-SA 4.0 · Kunkel School Section, United States · xeno-canto

Herkenning

Een kleine, kortstaartige gors met een zandbruine bovenzijde die door zwarte en kastanjekleurige streepjes wordt gebroken. Kenmerkend is de kop: de kruin is donker met een brede, okergele middenstreep, en het hele gezicht heeft een warme okergele waas met een fijn zwart streepje achter de wang. De onderzijde is wit met een smalle band van dunne, zwarte streepjes over de borst, die niet doorloopt tot op de buik. De flanken zijn licht gestreept, de poten vleeskleurig; de nagel van de achterteen is opvallend lang.

Verwarrings­soorten

De sprinkhaangors heeft een effen, ongestreepte borst, een platter voorhoofd en een zwaardere snavel. Bij de savannegors loopt de borststreping breder door tot op de flanken, is er meestal geel boven het oog en ontbreekt de brede okerkleurige kruinstreep. De lecontes-gors is oranjegeler op kop en borst, heeft een grijs genekt patroon en houdt zich aan nattere zeggevelden. Let vooral op de combinatie van okergele kruinstreep, okergeel gezicht en een scherp begrensde ketting van fijne borststreepjes.

Leefgebied

Uitgestrekte, nooit geploegde gemengde en hooggrasprairie met een dichte grasmat, weinig struiken en een laag strooisel. Hij mijdt akkerland en door grassen als kweek gedomineerde herstelvelden; matig begraasd weiland met inheems gras wordt wel gebruikt. In de winter zit hij in de grasvlakten van de Chihuahuawoestijn, met grama-, driegraat- en liefdegras, een struikbedekking onder de twintig procent en een grashoogte van tien tot dertig centimeter.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het broedgebied ligt in het zuiden van Alberta, Saskatchewan en Manitoba en in Montana, Noord-Dakota en het noorden van Zuid-Dakota. De trek loopt over de zuidelijke Great Plains naar het overwinteringsgebied in Zuidoost-Arizona, Zuid-New Mexico, West-Texas en vooral de noordelijke Mexicaanse hoogvlakte in Chihuahua en Durango, met uitlopers in aangrenzende deelstaten. Het areaal is smaller dan het vroeger was: de oostrand in Minnesota en Iowa is vrijwel leeg.

  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Loop in juni bij zonsopgang langs een stuk inheemse prairie en luister naar de rinkelende triller aan het eind van de zang — de vogel zelf zit vaak zo laag dat je hem pas ziet als hij opvliegt. In de winter is hij vrijwel stom en alleen te vinden door in de Chihuahuaanse grasvlakten een zone gras af te lopen tot er een vogel opvliegt, een paar meter doorschiet en weer verdwijnt.

Staat van instandhouding

De soort staat als niet bedreigd op de Rode Lijst, maar de broedvogeltelling laat een verlies van ongeveer 65 procent sinds 1967 zien, meer dan twee procent per jaar, en in de State of the Birds geldt hij als kantelpuntsoort met de hoogste alarmkleur. De oorzaak is het omzetten van inheemse prairie in akkerland, in het overwinteringsgebied aangevuld met verstruiking door het uitblijven van branden en met opdringende uitheemse grassen. Herstelvelden met uitheems gras worden nauwelijks bezet.

Wetenschappelijke naam

Centronyx bairdii | (Audubon, 1844)

Audubon beschreef de soort in 1844 als Emberiza bairdii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het exemplaar kwam van de natte delen van de prairie aan de bovenloop van de Missouri, bij Fort Union in het huidige Noord-Dakota. De soortnaam eert Spencer Fullerton Baird, die toen begin twintig was en later de Smithsonian Institution zou leiden. Het geslacht Centronyx werd in 1858 door Baird zelf ingevoerd, naar het Griekse kentron 'stekel' en onux 'nagel', naar de lange nagel van de achterteen.