Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Prairiegors
Prairiegors | Calamospiza melanocorys
Lark Bunting | Chingolo albinegro
De prairiegors is de grootste en zwaarste gors van de Noord-Amerikaanse kortgrasprairie: het broedende mannetje is geheel zwart met een grote witte vleugelvlek. Hij broedt van Zuid-Canada tot New Mexico en trekt in groepen naar de woestijngraslanden van Noord-Mexico.
Geluid
Het mannetje zingt in de vlucht: hij klimt schuin omhoog tot een meter of tien à vijftien, spreidt de vleugels en zweeft zingend naar de grond terug. De zang is een lange, onregelmatige reeks van heldere fluittonen, ratels en droge trillers, waarin steeds nieuwe motieven worden herhaald voordat hij op een volgend overgaat; hij duurt vaak meer dan tien seconden. De contactroep is een zacht, laag hoe-ie, waaraan een overvliegende groep in de winter goed te herkennen is.
Opname: Thomas G. Graves — CC BY-NC-SA 4.0 · Santa Margarita, San Luis Obispo County, California, United States · xeno-canto
Herkenning
Het broedende mannetje is zwart met een grote, sneeuwwitte vlek op de vleugeldekveren en smalle witte randen aan de binnenste slagpennen; de staarthoeken zijn wit. Het vrouwtje en het mannetje buiten de broedtijd zijn zandbruin met een grove donkere streping op borst en flanken, een lichte wenkbrauwstreep, een donkere baardstreep en een witte keelvlek. In alle kleden valt de snavel op: groot, kegelvormig en bleek blauwgrijs, forser dan bij enige andere gors van dit terrein. De witte vleugelvlek blijft ook bij vrouwtjes en jonge vogels als een bleke plek zichtbaar.
Verwarringssoorten
Vrouwtjes en winterkleden lijken op die van de ijsgorzen. De roodhalsgors is kleiner, korter van staart en heeft een zwart-wit staartpatroon in de vorm van een omgekeerde driehoek; McCowns ijsgors is bleker, met een dikke roze snavel en een zwarte staartband. Beide missen de bleke vleugelvlek en de zware blauwgrijze snavel van de prairiegors. Het zwarte zomermannetje is met niets anders te verwarren: geen andere zangvogel van de prairie is egaal zwart met één wit vleugelveld.
Leefgebied
Kortgrasprairie en gemengde prairie met tarwegras en blauwgrama, meestal met wat sagebrush (grijsgroen alsemstruweel van het droge westelijke binnenland), saltbush (een droge westelijke steppestruik) of yucca als zangpost en nestdekking. Hij mijdt kale grond en zwaar begraasd terrein, maar broedt ook in hooiland en op braakliggende akkers. In de winter is hij zwervend: hij volgt de regen door woestijngrasland, akkerranden en stoppelvelden, soms bij veevoerplaatsen, in groepen die honderden vogels kunnen tellen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Hij broedt van Zuid-Alberta, Zuid-Saskatchewan en Zuidwest-Manitoba zuidwaarts door Montana, de Dakota's, Wyoming, Nebraska, Colorado en Kansas tot in Oklahoma, de Texas Panhandle en Noordoost-New Mexico. De aankomst valt in mei, het vertrek in augustus en september. Overwinteren doet hij in Zuid-Arizona, Zuid-New Mexico, West- en Zuid-Texas en op de noordelijke Mexicaanse hoogvlakte, van Sonora en Chihuahua tot Zacatecas en San Luis Potosí. De grenzen van het winterareaal verschuiven van jaar tot jaar met de zomerregens; de verdeling over de Mexicaanse deelstaten is daardoor niet scherp te trekken.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Rijd in juni langs een grindweg door de kortgrasprairie van Oost-Colorado of West-Kansas en let op zwarte vogels die van een prikkeldraad opvliegen en zingend terugzweven; de zangvlucht is over honderden meters te volgen. In de winter zoek je hem niet als losse vogel maar als groep: een dichte, golvende zwerm boven woestijngrasland.
Staat van instandhouding
De soort is niet bedreigd (LC); de wereldpopulatie wordt op ongeveer 10 miljoen vogels geschat, maar de trektellingen wijzen op een afname van rond 86 procent sinds 1970 — een van de sterkste dalingen onder de prairievogels. Het omzetten van prairie en shrubsteppe in akkerland en het gebruik van bestrijdingsmiddelen zijn de belangrijkste oorzaken; graslandherstel binnen het Conservation Reserve Program (het Amerikaanse programma dat akkers uit productie neemt) levert nieuw broedgebied op. De soort heeft een Continental Concern Score (de Noord-Amerikaanse zorgscore van 1 tot 20) van 12 uit 20.
Wetenschappelijke naam
Calamospiza melanocorys | Stejneger, 1885
John Kirk Townsend beschreef de soort in 1837 als Fringilla bicolor, maar die naam was al vergeven; Leonhard Stejneger gaf haar in 1885 de naam Calamospiza melanocorys, die nu geldt, en daarom staan auteur en jaartal zonder haakjes. Het geslacht Calamospiza werd in 1838 ingevoerd door Charles Lucien Bonaparte, uit het Griekse kalamos 'riet' en spiza 'vink'. Melanocorys komt van melas 'zwart' en korydos 'leeuwerik', dus 'zwarte leeuwerik', naar de zangvlucht en het zwarte zomerkleed van het mannetje. Colorado koos de soort in 1931 tot staatsvogel.




