Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Roodoorgors

Roodoorgors | Chondestes grammacus

Lark Sparrow | Chingolo arlequín

De roodoorgors is een grote gors met een scherp getekende kop in kastanjebruin, wit en zwart, een zwarte vlek midden op de witte borst en een lange, afgeronde staart met witte hoeken. Hij bewoont open grasland met verspreide bomen en struiken, van Zuid-Canada tot Noord-Mexico.

Roodoorgors (Chondestes grammacus)
Foto: Channel City Camera Club — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang begint met twee heldere, gescheiden fluittonen en gaat dan over in een losse aaneenschakeling van ratels, buzzes en korte trillers, telkens anders van opbouw; een enkele zang kan tien seconden duren. Hij zingt vanaf een paalkop, een draad of een lage boom, en soms ook in de vlucht. De roep is een dun, scherp tsiep, in de vlucht vaak in reeksen van twee of drie.

Luister: ZangXC1084537

Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · Colonia Yanashi, San Jerónimo Tlacochahuaya, Oaxaca, Mexico · xeno-canto

Herkenning

De kop draagt een breed patroon van kastanjebruine kruinzijden en oorvlekken, een witte middenkruinstreep, een witte wenkbrauwstreep en een zwarte baardstreep langs de witte keel. De onderdelen zijn ongestreept wit met één zwarte vlek in het midden van de borst. De rug is bruin met donkere streping. De staart is lang en aan het eind afgerond, met brede witte punten aan de buitenste staartpennen die bij het opvliegen een witte omlijsting vormen. Jonge vogels hebben hetzelfde koppatroon in gedempte tinten, met streping op borst en flanken.

Verwarrings­soorten

De musgors heeft ook een roodbruine kruin, maar mist de kastanjebruine oorvlek, de zwarte borstvlek en de witte staarthoeken, en is duidelijk kleiner en slanker. De veldgors heeft een effen grijs gezicht, een roestbruine kruin en een roze snavel, maar geen kastanjebruine oorvlek. De witkeelgors — of, in het westen, de nevadagors — heeft noch witte staarthoeken noch het kastanjebruine gezicht. Bij twijfel is de combinatie van één zwarte borstvlek en witte hoeken in een lange, afgeronde staart beslissend.

Leefgebied

Open, grazig terrein met verspreide bomen en struiken: savanne en open eikenland, prairie met mesquite (doornige peulstruik van het zuidwesten, vormt dichte bosjes), boomgaarden, braakland, wegbermen en de rand van sagebrush (grijsgroen alsemstruweel van het droge westelijke binnenland)-steppe. Kale akkers zonder opgaande begroeiing mijdt hij, gesloten bos eveneens. In de winter en op trek ook in dennen-eikenbos, doornstruweel en akkerland met verspreide struiken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Hij broedt van Zuid-Brits-Columbia, Zuid-Alberta, Zuid-Saskatchewan en Zuid-Manitoba zuidwaarts door het westen van de Verenigde Staten en de Great Plains tot in Noord-Mexico, oostwaarts tot Minnesota, Iowa, Missouri en Arkansas. In het oosten breidde hij zich in de negentiende eeuw uit tot New York, maar dat gebied is sinds de jaren dertig weer verlaten door bosherstel en verstedelijking. Noordelijke vogels overwinteren in Zuid-Californië, het zuiden van Arizona, New Mexico en Texas, in Louisiana en Florida, en verder in heel Mexico tot Guatemala en Belize. In Noord-Mexico en delen van Californië en Texas blijft hij het hele jaar.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem van mei tot juli langs een zandweg door open weiland met losse eiken of mesquite: hij zit graag op draden en paalkoppen en vliegt bij nadering met gespreide staart weg, waarbij het witte staartpatroon meteen zichtbaar is. Buiten de broedtijd loopt hij in kleine groepen op de grond, vaak samen met witkruingorzen.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie wordt op ongeveer 11 miljoen vogels geschat en de soort geldt als niet bedreigd (LC), al namen de aantallen tussen 1970 en 2014 met 32 procent af. In het oosten van het areaal is de afname het sterkst en is hij uit veel staten verdwenen. Verlies van open grasland met verspreide bomen, het dichtgroeien van braakland en toenemende brandfrequentie in graslanden met uitheemse grassen zijn de belangrijkste knelpunten.

Wetenschappelijke naam

Chondestes grammacus | (Say, 1822)

Thomas Say beschreef de soort in 1822 als Fringilla grammaca, naar een exemplaar van de benedenloop van de Missouri; omdat ze later in een ander geslacht kwam, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Grammacus gaat terug op het Griekse gramme 'lijn, streep', naar de strepen op de kop. Het geslacht Chondestes werd in 1827 ingevoerd door William Swainson, uit het Griekse chondros 'graankorrel' en edestes 'eter', dus 'zaadeter'; het is een geslacht met één soort. De Engelse naam verwijst naar de zang, die aan die van leeuweriken werd gehoord; de Nederlandse en de Spaanse naam noemen het koppatroon.