Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Henslowgors
Henslowgors | Centronyx henslowii
Henslow's Sparrow | Chingolo de Henslow
De henslowgors is een kleine gors van vochtige, verruigde graslanden in het oosten van Noord-Amerika, met een grote platte kop, een zware snavel en een olijfgroene waas over gezicht en nek. Hij zit het grootste deel van de tijd op de grond tussen het gras en laat zich vooral kennen aan zijn korte zang.
Geluid
De zang is een van de kortste van alle Noord-Amerikaanse zangvogels: een droog, tweelettergrepig tse-lik dat in een halve seconde voorbij is en van een afstand op het tikken van een insect lijkt. Het mannetje herhaalt het vanaf een dode stengel of een graspluim, met tussenpozen van enkele seconden, en zingt ook 's nachts door. De roep is een dun, hoog tsip.
Opname: Jonathon Jongsma — CC BY-SA 4.0 · Afton State Park, Washington County, Minnesota, United States · xeno-canto
Herkenning
Klein en compact, met een naar verhouding grote, platte kop en een korte, in punten uitlopende staart. Kop en nek zijn olijfgroen tot geelgroen gewassen, een kleur die geen andere gors uit dezelfde graslanden heeft. De rug is roodbruin met zwarte streping, de vleugels zijn opvallend kastanjekleurig. De borst is okerkleurig met scherpe, dunne zwarte streepjes, de buik is wit. Over de kruin loopt een donkere streep met een fijne lichte middenlijn; op het gezicht staan twee zwarte streepjes achter de wang.
Verwarringssoorten
De sprinkhaangors heeft een effen borst zonder streping en een okergele, niet olijfgroene kop. De lecontes-gors is oranjer op borst en wenkbrauwstreep, heeft een grijze, fijn gestreepte nek en een langere, slankere kop. De bairdgors heeft een brede okergele kruinstreep en een zandbruine in plaats van kastanjebruine vleugel. Het zekerste kenmerk blijft de combinatie van olijfgroen gezicht, kastanjekleurige vleugels en de gestreepte okerkleurige borst.
Leefgebied
Vochtige weilanden, hooilanden en verruigde graslanden met hoog, dichtstaand gras, veel oud strooisel en verspreide stevige stengels om vanaf te zingen; bomen en struiken mijdt hij in de broedtijd. Herstelde mijnterreinen met ingezaaid gras in de Appalachen zijn een belangrijk vervangend leefgebied geworden. In de winter zit hij in verruigde velden, dennensavanne met zaagpalmet en langs de kust in kwelders, en accepteert dan wel enige opslag van bomen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied ligt in het binnenland van het oosten: van New York en Pennsylvania westwaarts over Ohio, Indiana, Michigan, Illinois en Wisconsin tot Missouri, Iowa en Oost-Kansas, met verspreide broedplaatsen op herstelde mijnterreinen in Kentucky, West-Virginia en Tennessee en een geïsoleerde populatie in North Carolina. Overwinterd wordt in de kustvlakte van Oost-Texas en Arkansas oostwaarts tot South Carolina, Georgia en Florida. Aan de Atlantische kust van New England, waar hij vroeger broedde, is hij verdwenen.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in mei of juni bij windstil weer een uur voor zonsopgang naar een groot, ongemaaid vochtig grasland en blijf stilstaan: het tse-lik is zo zacht dat je het binnen vijftig meter moet horen. Later op de dag laat de vogel zich meestal alleen zien als hij kort opvliegt, een paar meter lager weer invalt en dan te voet verder gaat.
Staat van instandhouding
Partners in Flight schat de wereldpopulatie op ongeveer 410.000 vogels. Tussen 1966 en 2023 verdween ongeveer 69 procent van de populatie; in de State of the Birds van 2025 staat de soort als kantelpuntsoort met de middelste alarmkleur, met een inmiddels stabielere trend. De Rode Lijst zette hem in 2018 terug van gevoelig naar niet bedreigd. Het Conservation Reserve Program, dat akkerland uit productie neemt en met gras inzaait, en herstelde mijnterreinen hebben de afname plaatselijk gekeerd; vroeg maaien en het dichtgroeien van velden met struiken zijn de knelpunten.
Wetenschappelijke naam
Centronyx henslowii | (Audubon, 1829)
Audubon beschreef de soort in 1829 als Emberiza henslowii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het exemplaar kwam van de oever tegenover Cincinnati, aan de Kentuckykant van de Ohio. De soortnaam eert John Stevens Henslow, botanicus in Cambridge en de leermeester van Charles Darwin. Het geslacht Centronyx werd in 1858 ingevoerd door Spencer Fullerton Baird, naar het Griekse kentron 'stekel' en onux 'nagel', naar de lange nagel van de achterteen.




