Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Monnikskaptiran
Monnikskaptiran | Myiarchus tuberculifer
Dusky-capped Flycatcher | Copetón Capirotado
De monnikskaptiran is de kleinste van de Myiarchus-tirannen van Noord-Amerika en de enige met een zwartbruine, tegen het gezicht afstekende kap. In de Verenigde Staten broedt hij alleen in de bergbossen van Zuidoost-Arizona en Zuidwest-New Mexico; zijn areaal loopt van daar door tot in Argentinië.
Geluid
De gewone roep is een gerekt, dalend fluitje, pjieeuw, klagend van toon en met één enkele lettergreep — het bruikbaarste kenmerk van de soort. Daarnaast klinkt een korte wiet en een rollend trillertje. De dageraadzang bestaat uit korte zinnetjes van twee of drie elementen die minutenlang in hetzelfde ritme worden herhaald, vanaf een uur voor zonsopgang. De stem verschilt sterk per regio; de vogels van het zuidwesten van de Verenigde Staten klinken anders dan die van Zuid-Amerika.
Opname: Juan Freile — CC BY-NC-SA 4.0 · Reserva Los Cedros, Imbabura, Ecuador · xeno-canto
Herkenning
Een slanke tiran met een puntige kuif, olijfbruine bovendelen, een grijze keel en borst en een heldergele buik. De kruin is duidelijk donkerder dan de rug, bijna zwartbruin, en steekt af tegen de lichtere wangen. De staart is van onderen dof en mist de brede roestkleurige buitenranden die de grotere verwanten hebben; hooguit een smalle roestkleur op de binnenvlag. De snavel is geheel zwart en relatief klein. Hij jaagt vanaf een tak in de middenlaag en pakt insecten van bladeren of in de vlucht.
Verwarringssoorten
Binnen Myiarchus beslist het geluid. De grijskeeltiran is groter, bleker en heeft een roepje ka-brick met een schorre klank plus duidelijke roestkleurige staartranden; de monnikskaptiran heeft het gerekte dalende pjieeuw en een vrijwel roestloze staart. De grote kuiftiran is fors, met een felgele buik, een dikke snavel met bleke basis en een luide stijgende wiep. De bleekkeeltiran heeft een scherp, schel wiek en roest tot in de staartpunt. De cayennetiran is groter, met een zware snavel, veel roest in de staart en een scherp whit. Daarnaast is de donkere kap op de kop een hard uiterlijk kenmerk: de andere soorten hebben een kruin die nauwelijks van de rug afwijkt.
Leefgebied
In het noorden van het areaal eiken- en dennen-eikenbos van de bergen en het loofbos langs canyonbeken, ruwweg tussen 1200 en 2400 meter. Zuidelijker ook tropisch groenblijvend en halfbladverliezend bos, nevelwoud, plantages en bosranden, van zeeniveau tot ruim 3000 meter. Overal zoekt hij de rand van het bos en open plekken op, niet het gesloten binnenste.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Van Zuidoost-Arizona en Zuidwest-New Mexico door heel Mexico en Midden-Amerika tot ver in Zuid-Amerika. De noordelijke broedvogels zijn trekvogels: ze arriveren in april en verlaten het gebied in september voor West- en Zuid-Mexico. Vanaf Mexico zuidwaarts is de soort standvogel. Er zijn dertien ondersoorten, die in kleur en stem uiteenlopen; enkele vroeger als ondersoort behandelde vormen worden nu als aparte soort gezien.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop in mei of juni een canyon in de Huachuca-, Chiricahua- of Santa Rita-bergen op en let op het klagende dalende fluitje. De vogel zit hoger en meer verscholen dan de grijskeeltiran; zoek in de eikenkruinen op ooghoogte vanaf het pad boven de beek. Laat je niet leiden door de kleur van de buik, want die verschilt weinig tussen de soorten.
Staat van instandhouding
De IUCN classificeert de soort als niet bedreigd (LC), met een wereldpopulatie van meer dan twintig miljoen volwassen vogels, al wordt een lichte afname vermoed. In de Verenigde Staten is de populatie klein en beperkt tot de bergbossen van de grenszone; branden en het verlies van oude eiken in canyonbossen zijn daar het knelpunt. In het grootste deel van het areaal is de soort algemeen en past hij zich aan bosrand en plantages aan.
Wetenschappelijke naam
Myiarchus tuberculifer | (d'Orbigny; de Lafresnaye, 1837)
D'Orbigny en de Lafresnaye beschreven de soort in 1837 als Tyrannus tuberculifer; omdat ze later naar Myiarchus is overgebracht, staan auteurs en jaartal tussen haakjes. Myiarchus komt van het Griekse muia 'vlieg' en arkhos 'heerser'. De soortnaam tuberculifer is Latijn voor 'knobbeldragend', naar een klein uitsteeksel dat de beschrijvers aan het typemateriaal opmerkten. Het type kwam uit Guarayos in Santa Cruz, Bolivia. De Nederlandse naam verwijst naar de donkere kap, de Engelse naam eveneens; de soort heette vroeger ook wel olijfkleurige tiran.





