Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Grijskeeltiran
Grijskeeltiran | Myiarchus cinerascens
Ash-throated Flycatcher | Copetón Cenizo
De grijskeeltiran is de Myiarchus-tiran van het droge westen: van de sagebrush van Oregon tot het cactusland van Sonora zit hij op een dode tak boven het struweel. Hij broedt in holtes en drinkt vrijwel geen water — al zijn vocht haalt hij uit zijn prooi.
Geluid
De bekendste roep is een tweelettergrepig, schor ka-brick met een rollende, bijna knarsende klank, het hele jaar te horen. Daarnaast klinkt een ruw prrt en een omhoog knikkend wjieer. De dageraadzang is een aaneenrijging van diezelfde elementen in een vast patroon, voor zonsopgang vanaf een hoge tak. De stem is schorer en minder fluitend dan die van de andere Myiarchus-soorten, en het is doorgaans het geluid dat de determinatie sluit.
Opname: steve — CC BY-SA 4.0 · El Refugio, Los Cabos, Baja California Sur, Mexico · xeno-canto
Herkenning
Een slanke, langstaartige tiran met een licht gepiekte kuif op een grote kop. De bovendelen zijn olijfbruin, de keel en borst bleekgrijs en de buik flauw geel — bleker dan bij de andere Myiarchus-soorten, met een geleidelijke overgang van grijs naar geel. De vleugels hebben twee doffe strepen en roestkleurige randen aan de slagpennen; de staart toont roest op de buitenvlag, maar de binnenvlag van de buitenste staartpennen eindigt in een donkere punt, zodat de roestkleur niet doorloopt tot het staarteinde. De snavel is geheel donker.
Verwarringssoorten
De monnikskaptiran is kleiner, heeft een donkere kap die van de rug afsteekt, een fellere gele buik en een gerekt dalend pjieeuw; de grijskeeltiran heeft een egale kruin en het schorre ka-brick. De grote kuiftiran is forser en donkerder, met een felgele buik, een bleke basis aan de ondersnavel en een luide stijgende wiep. De bleekkeeltiran is het lastigst: die heeft roest tot in de staartpunt zonder donkere eindband, een oranje mondholte, een scherp enkelvoudig wiek en gelig gerande buitenste armpennen — bij de grijskeeltiran zijn die randen wit. De braamtiran is kleiner en heeft een donkerder borst zonder roest in de staart.
Leefgebied
Droog, halfopen land: woestijnstruweel met saguaro en mesquite, sagebrush, chaparral, pinyon-jeneverbesbos, open eiken- en dennenbos en de boomrijke oeverzone langs droge wassen, tot ongeveer 2700 meter. Hij is afhankelijk van holtes — spechtengaten, natuurlijke holten in dode bomen en cactussen — en neemt ook nestkasten, brievenbussen en holle palen in gebruik. In de overwinteringsgebieden tropisch doornbos en halfbladverliezend bos.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt van Zuid-Washington en Zuidwest-Idaho zuidwaarts door het hele Grote Bekken en het Zuidwesten tot Centraal-Mexico, oostwaarts tot West-Kansas, West-Oklahoma en Centraal-Texas; in Zuid-Brits-Columbia plaatselijk. Het is een korteafstandstrekker: de meeste vogels overwinteren van Zuidwest-Mexico tot de Pacifische helling van Honduras, kleine aantallen blijven in de laaglanden van Zuid-Californië en Zuid-Arizona. Op Baja California en in Noordwest-Mexico is de soort standvogel. In het najaar verschijnen jaarlijks enkele vogels aan de Atlantische kust van de Verenigde Staten.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek van april tot juli in de woestijn naar een vogel die rechtop op een dode tak of een hekpaal zit en zo nu en zo dan met de kop schokt. Laat de kleur van de buik los en wacht op het ka-brick. Wil je het verschil met de bleekkeeltiran hard maken, bekijk dan de onderkant van de uitgespreide staart: een donkere punt aan de binnenvlag betekent grijskeeltiran.
Staat van instandhouding
De IUCN rekent de soort tot de niet-bedreigde categorie. Partners in Flight schat de broedpopulatie op ongeveer tien miljoen vogels en de Breeding Bird Survey laat tussen 1966 en 2019 een toename van ruwweg 0,7 procent per jaar zien. Het gebruik van nestkasten en kunstmatige holtes draagt daaraan bij. Verlies van oeverbos en het verdwijnen van dode bomen met holtes zijn de belangrijkste beperkingen; de soort valt onder de Migratory Bird Treaty Act.
Wetenschappelijke naam
Myiarchus cinerascens | (Lawrence, 1851)
George Newbold Lawrence beschreef de soort in 1851 als Tyrannula cinerascens; door de latere overgang naar Myiarchus staan auteur en jaartal tussen haakjes. Myiarchus is Grieks voor 'vliegenheerser', van muia 'vlieg' en arkhos 'heerser'. De soortnaam cinerascens is Latijn voor 'asgrauw wordend', naar de grijze keel en borst; de Nederlandse en de Engelse naam verwijzen naar hetzelfde kenmerk. Het beschreven exemplaar kwam uit West-Texas.






