Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Grote kuiftiran
Grote kuiftiran | Myiarchus crinitus
Great Crested Flycatcher | Copetón Viajero
De grote kuiftiran is de enige Myiarchus-tiran van het oosten van Noord-Amerika en de enige tiran van dat gebied die in een holte broedt. Hij leeft hoog in het loofbos en is er vooral aan zijn luide, opstijgende roep te herkennen. In het nest wordt vaak een afgeworpen slangenhuid verwerkt.
Geluid
De roep is een luid, scherp wieeep dat aan het eind omhoog schiet, ver hoorbaar en het hele broedseizoen te horen. Bij spanning volgt een reeks korte, stijgende huit-notities. De dageraadzang van het mannetje bestaat uit drie delen: twee korte fluittonen, een wjieerriep gevolgd door een hoger wjie, en een zachte lage tsjurr. De vogel zingt vanaf een uur voor zonsopgang uit de boomkruin, meestal zonder zichtbaar te zijn.
Opname: Jonathon Jongsma — CC BY-SA 3.0 · Murphy-Hanrehan Park Reserve, Dakota, Minnesota, United States · xeno-canto
Herkenning
Een forse, langgestrekte tiran met een volle kuif. De bovendelen zijn olijfbruin, de keel en borst grijs, de buik en onderstaartdekveren helder zwavelgeel, met een scherpe grens tussen grijs en geel. De staart is van boven en onder opvallend roestrood, de vleugelveren hebben roestkleurige randen. De ondersnavel heeft een duidelijke bleke of vleeskleurige basis, anders dan bij de geheel donkere snavel van de westelijke verwanten. De vleugelspanwijdte bedraagt ongeveer 34 centimeter, het gewicht 27 tot 40 gram.
Verwarringssoorten
In het oosten overlapt hij nauwelijks met andere Myiarchus-soorten. Waar dat in Texas wel gebeurt: de grijskeeltiran is kleiner en veel bleker, met een flauwgele buik, een geheel donkere snavel en het schorre ka-brick; de grote kuiftiran heeft een diepgele buik, de bleke snavelbasis en het stijgende wieep. De braamtiran is even groot maar heeft een zwaardere, geheel donkere snavel, een bleekgele buik en een rollend wierrp. De westelijke koningstiran heeft een grijze kop en borst, een witte staartrand en een geheel andere, kwetterende stem. De monnikskaptiran is kleiner, met donkere kap en nauwelijks roest in de staart.
Leefgebied
Open loofbos en gemengd bos met een ijl kronendak, bosranden, houtwallen, tweede opslag en selectief gekapt bos. Naaldbosrijke streken mijdt hij. Hij past zich aan parken, begraafplaatsen, golfbanen en boomgaarden aan, mits er dode bomen met holtes staan. Hij blijft vrijwel steeds in de boomkruinen en komt zelden op de grond. In het winterkwartier tropisch bos en bosrand tot in de laaglanden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt van Zuid-Manitoba, Zuid-Ontario, Zuid-Quebec en de Maritimes zuidwaarts door het hele oosten van de Verenigde Staten tot aan de Golfkust, westwaarts tot Oost-Noord-Dakota, Centraal-Texas en Oost-Oklahoma. Hij komt eind april tot half mei aan en vertrekt in augustus en september. Het winterkwartier ligt van Zuid-Mexico en het Yucatán-schiereiland door Midden-Amerika tot Noordwest-Zuid-Amerika; op Cuba en de Bahama's is hij doortrekker. In Zuid-Florida blijft een deel het hele jaar.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Hoor hem eerst: het wieep draagt over een bosperceel heen en is in mei en juni de snelste manier om zijn aanwezigheid vast te stellen. Zoek daarna langs een bosrand of een open plek naar een grote tiran hoog in een dode top; de roestrode staart valt het eerst op als hij wegvliegt. Nestkasten met een opening van ongeveer vier centimeter aan een bosrand worden in het broedseizoen geregeld bezet.
Staat van instandhouding
De IUCN rekent de soort tot de niet-bedreigde categorie. Partners in Flight schat de broedpopulatie op ongeveer 8,8 miljoen vogels en de Breeding Bird Survey laat tussen 1966 en 2019 een stabiele trend zien. Concurrentie om nestholtes met spreeuwen, zwaluwen en winterkoningen speelt plaatselijk een rol, evenals het verdwijnen van dode bomen bij bosbeheer. Als trekvogel is de soort ook afhankelijk van bosbehoud in het winterkwartier.
Wetenschappelijke naam
Myiarchus crinitus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Turdus crinitus; door de latere overgang naar Myiarchus staan auteur en jaartal tussen haakjes. Myiarchus komt van het Griekse muia 'vlieg' en arkhos 'heerser'. De soortnaam crinitus is Latijn voor 'behaard' of 'met lange haren', naar de volle kuif. De typelocatie stond eerst vaag als 'Amerika' en werd in 1898 door Bangs vastgelegd op South Carolina. De Nederlandse en de Engelse naam verwijzen allebei naar de kuif; de Spaanse naam copetón viajero voegt daar het trekgedrag aan toe.





