Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Geelbuiktiran
Geelbuiktiran | Mitrephanes phaeocercus
Tufted Flycatcher | Mosquero Moñudo Común
De geelbuiktiran is een kleine tiran van de Midden-Amerikaanse bergbossen, met een spitse kuif en warm kaneelkleurige onderdelen. Het areaal begint in het bergland van Sonora en Chihuahua en loopt door tot Ecuador. Ten noorden van de Mexicaanse grens is hij een dwaalgast: het eerste geval was Big Bend in Texas in 1991, daarna volgden waarnemingen in West- en Zuid-Texas en in de bergen van Zuidoost-Arizona, waar in de Huachuca Mountains ook enkele keren met succes is gebroed.
Geluid
De roep is een korte, scherpe pik of biek, vaak in reeksen van drie of vier terwijl de vogel op zijn uitkijkpost draait. Daarnaast klinkt een helder, iets opwaarts getrokken tsjwie of toeríe, dat los of in snelle herhaling wordt gegeven. De ochtendzang is een snelle reeks hoge, dunne noten in wisselende volgorde, doorgaans voor zonsopgang en vanaf één vaste tak.
Opname: Manuel Grosselet - Rebeca Martinez — CC BY-NC-SA 4.0 · Capulalpam de Méndez, Ixtlán de Juárez, Oaxaca, Mexico · xeno-canto
Herkenning
Klein en kortstaartig, met een puntige kuif die ook in rust overeind blijft en het silhouet meteen herkenbaar maakt. De bovendelen zijn bruinolijf, de vleugels donker met twee smalle, okerkleurige vleugelstrepen; over gezicht, keel en borst ligt een warme kaneel- tot okerkleur die naar de buik in okergeel overgaat. Een dunne, vuilwitte oogring en een lichte vlek boven de teugel breken het gezicht. De ondersnavel is oranjegeel, de bovensnavel zwart. Man en vrouw zijn gelijk gekleurd.
Verwarringssoorten
Geen andere tiran van Noord-Amerika combineert een permanent opgezette kuif met egaal kaneelkleurige onderdelen. De rode tiran heeft een veel langere staart en een lichte keel tegen een roodbruine buik, zonder kuif. Vale feetirannen van het geslacht Empidonax zijn olijfgroen tot grijs van onderen, hebben een duidelijker gesloten oogring en een plattere kop. De kuiftirannen van het geslacht Myiarchus zijn veel groter, met een grijze keel en roestbruin in staart en vleugel. In de hand of op een foto is de korte staart in verhouding tot de vleugel het snelste aanvullende kenmerk.
Leefgebied
Bergbos in de bovenste tropische en onderste gematigde zone, tussen ruwweg 1200 en 3000 meter: dennenbos, dennen-eikenbos, altijdgroen nevelbos en oudere opslag. Hij houdt zich op aan randen, in open plekken en langs beeklopen met vrije takken om vanaf te jagen, niet in het gesloten kroondak. In Arizona en Texas gaat het om vergelijkbare canyons met dennen, esdoorn en eik.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel van Noordwest-Mexico tot Noordwest-Zuid-Amerika. De westelijke ondersoortengroep bewoont Zuidoost-Sonora en Zuidwest-Chihuahua zuidwaarts tot West-Jalisco; de nominaatgroep loopt van Zacatecas en San Luis Potosí zuidwaarts door Oost- en Midden-Mexico, Guatemala, Belize, Honduras, El Salvador en Nicaragua verder naar het zuiden. In de Verenigde Staten is hij zeldzaam maar bijna jaarlijks: enkele vogels in de bergcanyons van Zuidoost-Arizona, waar paren hele zomers bleven en nestjongen grootbrachten, en losse gevallen in Big Bend en aan de Rio Grande in Texas.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek in Arizona in de bovenloop van Ramsey Canyon en Miller Canyon in de Huachuca Mountains, en let eerst op gedrag: de vogel jaagt vanaf een lage, vrije tak, bidt kort voor het blad en keert telkens naar dezelfde tak terug. Een korte, spitse kuif boven een kaneelkleurige borst is op afstand de eerste aanwijzing. Meld een waarneming met foto of geluidsopname; in beide staten geldt hij als beoordelingssoort.
Staat van instandhouding
De Rode Lijst houdt de soort op niet bedreigd (LC). De wereldpopulatie wordt geschat op meer dan 500.000 volwassen vogels, met een dalende trend. De soort is algemeen in de bergbossen van Noord-Midden-Amerika en Costa Rica; het verlies van dennen-eikenbos door kap, brand en omzetting naar landbouw is het belangrijkste knelpunt. De vestigingspogingen in Arizona vallen samen met een reeks noordwaartse arealverschuivingen bij Mexicaanse bergsoorten.
Wetenschappelijke naam
Mitrephanes phaeocercus | (Sclater, 1859)
Philip Lutley Sclater beschreef de soort in 1859 als Mitrephorus phaeocercus; omdat ze later naar een ander geslacht ging, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Mitrephanes werd in 1882 ingevoerd door Elliott Coues, naar het Griekse mitra 'hoofdband, mijter' en -phanes 'lijkend op', naar de kuif. De soortnaam phaeocercus komt van phaios 'donkergrijs' en kerkos 'staart', dus 'met de donkere staart'. Het beschreven exemplaar kwam uit Córdoba in Veracruz, Mexico. De Nederlandse naam verwijst naar het okergele onderlijf, de Engelse en Spaanse naam naar de kuif.




