Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Sparrenpiewie

Sparrenpiewie | Contopus cooperi

Olive-sided Flycatcher | Pibí Boreal

De sparrenpiewie is de grootste piewie van Noord-Amerika: een zware, kortstaartige tiran die vanaf de top van een dode boom in naaldbos jaagt. Hij is te herkennen aan de donkere flanken die als een openstaand vest tegen een witte middenstreep afsteken, en aan de luide fluittoon van drie noten waaraan hij zijn Engelse ezelsbruggetje dankt. Van Alaska tot Bolivia legt hij een van de langste trekafstanden van alle Amerikaanse tirannen af.

Sparrenpiewie (Contopus cooperi)
Foto: Becky Matsubara — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang bestaat uit drie heldere fluittonen, in het Engels als quick, three beers! weergegeven: een korte, zachtere eerste noot, dan een luide hoge noot en een dalende slotnoot, ongeveer pip — PIEE-wier. Die langgerekte middelste noot draagt honderden meters ver over een dal. De roep is een reeks korte, harde pip pip pip-notities, vaak in drieën, die hij ook geeft bij het verjagen van indringers. Hij zingt van de aankomst in mei tot in augustus, ook midden op de dag.

Luister: ZangXC1154299

Opname: Greg Irving — CC BY-NC-SA 4.0 · Surveyor Creek Trail, Deer Park Clearcut, Clallam County, Washington, United States · xeno-canto

Herkenning

Groot voor een tiran, met een zware kop, een brede snavel en een korte staart, waardoor de vleugelpunten bijna tot het staarteind reiken. De bovendelen zijn olijfgrijs, de flanken en borstzijden donker en grof gestreept, met daartussen een smalle witte baan van keel tot buik. Op de rug steken vaak witte donsplukken aan de stuitzijden uit. De ondersnavel is oranjegeel met een donkere punt; vleugelstrepen zijn zwak of ontbreken. Hij zit rechtop op een kale, hoge tak en keert na elke jachtvlucht naar dezelfde plek terug.

Verwarrings­soorten

De grote piewie is even groot en ook kortstaartig, maar egaal grijs van onderen zonder het vestpatroon, met een spitse kuif en een geheel oranje ondersnavel; hij fluit ho-SEE ma-RIE-a in plaats van drie losse noten. De westelijke en oostelijke bospiewie zijn duidelijk kleiner en slanker, met twee zichtbare vleugelstrepen en zonder de scherp afgetekende donkere flanken. Grote kuiftirannen van het geslacht Myiarchus hebben roestbruin in vleugel en staart en een gele buik. Op afstand helpt de zithouding: alleen de sparrenpiewie kiest vrijwel altijd de allerhoogste dode tak van het bos.

Leefgebied

Open naaldbos en bosrand met veel staand dood hout: boreaal bos, veen en muskeg (drassig veenmoeras met sparren, kenmerkend voor het boreale Canada), bergnaaldbos tot rond 3000 meter, en vooral recent afgebrande percelen en kapvlakten met overgebleven staande stammen. Vrijwel altijd bij water of open moeras. In de winter zit hij in bergnevelbos en laagland-altijdgroen bos in de Andes en in Midden-Amerika, opnieuw op uitstekende dode takken aan bosranden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedt van Midden-Alaska en Yukon oostwaarts door heel boreaal Canada tot Newfoundland en zuidwaarts door de Cascaden, de Sierra Nevada en de Rocky Mountains tot Californië, Arizona en New Mexico, en in het oosten tot in New England en de Grote Meren. De overwintering ligt vrijwel volledig in Zuid-Amerika, met het zwaartepunt in de Andes van Colombia, Ecuador, Peru en Bolivia. Mexico en Midden-Amerika worden alleen doorkruist; de trek verloopt laat in het voorjaar — de meeste vogels komen pas eind mei op de broedplaats aan — en vroeg in de nazomer.

  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in juni op het geluid: sta bij een afgebrand of net gekapt naaldbosperceel en zoek na de eerste quick, three beers de hoogste dode top in het blikveld af. Vogels in de trek zwijgen vaak en zitten dan lager, maar houden wel de gewoonte aan om steeds naar dezelfde tak terug te keren. Let ook op het witte donspluimpje op de stuitzijde, dat bij zittende vogels tussen vleugel en staart uitsteekt.

Staat van instandhouding

De IUCN rekent de soort inmiddels tot niet bedreigd (LC); eerder stond ze als gevoelig (NT) te boek. De wereldpopulatie wordt op ongeveer 1,9 miljoen vogels geschat en daalt al tientallen jaren; de Amerikaanse broedvogeltellingen komen op een afname van ongeveer drie procent per jaar en van ruwweg driekwart sinds 1970. In Canada werd de soort in 2007 als kwetsbaar beoordeeld; na een herbeoordeling in 2018 staat ze sinds 2023 onder de Species at Risk Act (de Canadese soortenbeschermingswet) als soort van bijzonder belang te boek. Genoemde oorzaken zijn de afname van vliegende insecten, het verlies van bergbos in het overwinteringsgebied en het verdwijnen van staand dood hout na brandbestrijding en opruimkap. Op de Noord-Amerikaanse aandachtslijsten staat hij als soort met een sterke, aanhoudende daling.

Wetenschappelijke naam

Contopus cooperi | (Nuttall, 1831)

Thomas Nuttall beschreef de soort in 1831 als Muscicapa cooperi; omdat ze later naar een ander geslacht ging, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam eert William Cooper, Amerikaans natuuronderzoeker en medeoprichter van het Lyceum of Natural History in New York. Het geslacht Contopus werd in 1855 ingevoerd door Jean Cabanis, naar het Griekse kontos 'kort' en pous 'voet', naar de korte poten van deze tirannen. De Nederlandse naam verwijst naar het naaldbos waarin hij broedt, de Engelse naam naar de olijfkleurige flanken en de Spaanse naam naar het boreale broedgebied.