Alle soortenZangvogelsTirannen › Blonde feetiran

Blonde feetiran | Empidonax fulvifrons

Buff-breasted Flycatcher | Mosquero Pechicanelo

De blonde feetiran is de kleinste feetiran van Noord-Amerika en de enige van het geslacht die al aan het verenkleed vastligt: een warme roomkleurige borst op een zandbruin bovendeel. In de Verenigde Staten broedt hij alleen in de bergen van Zuidoost-Arizona en Zuidwest-New Mexico; het grootste deel van het areaal ligt in de Mexicaanse en Midden-Amerikaanse bergen.

Blonde feetiran (Empidonax fulvifrons)
Foto: ADJ82 — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De noordelijke vogels zingen een kort, tweedelig tsjie-lik, soms uitgebreid tot tsjie-lik-tsjoe, in de vroege ochtend van april tot juli herhaald vanaf een tak in een open dennenbos. De roep is een enkele, scherpe pit. Zuidelijke populaties zingen een sneller ti'beuu of pi'dew en roepen een zacht, vloeiend wit. Ook bij deze soort is de zang het enige kenmerk dat in alle omstandigheden werkt: laat in de zomer, wanneer het verenkleed gesleten en verbleekt is, verdwijnt de roomkleur en blijft alleen het geluid over.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Klein en kortvleugelig, met een zandbruine tot olijfbruine bovenzijde, een bruinere kruin en een grijsbruine staart. De keel is bleekgeel, de borst warm roomkleurig tot kaneelkleurig — het enige duidelijke verenkleedkenmerk binnen het geslacht. De witte oogring is smal, de twee vleugelstrepen zijn bleek roomkleurig. De ondersnavel is oranjegeel, de bovensnavel zwart, de iris diep kastanjebruin. In verse veren is hij op zicht te determineren; in juli en augustus, met gesleten veren, wordt de borstkleur bleek en bepaalt de zang de determinatie, zoals bij de andere feetirannen.

Verwarrings­soorten

Zolang de roomkleurige borst er is, is verwarring met de grijze feetirannen beperkt. Is die kleur weggesleten, dan scheidt het geluid: hier een kort tsjie-lik met een enkele pit-roep, bij de struikfeetiran een drieledige zang op een hoge psiet met een droog wit, bij de sparrenfeetiran drie hese delen met een laag slot en een scherp, hoog piek, bij de alsemfeetiran een tweedelig tsjoe-wip … tsjiep met de staart omlaag, en bij de kleine feetiran het snel herhaalde tsje-BEK. Habitat en hoogte helpen mee: de blonde feetiran zit in de Verenigde Staten tussen ruwweg 1950 en 2850 meter in open dennen- en dennen-eikenbos met een grazige ondergroei, terwijl de sparrenfeetiran in gesloten sparrenbos zit en de struikfeetiran op verstruikte hellingen; de alsemfeetiran komt op die hoogte in dat bostype niet voor.

Leefgebied

Droog dennen- en dennen-eikenbos in brede bergcanyons, met een ondergroei van gras, kruiden en verspreide struiken en opslag. Ponderosadennen, pinyon, Arizona-eik en douglasspar zijn de gebruikelijke bomen. Recent gebrand bos wordt vaak bezet: lichte bosbranden houden de struiklaag open, wat de jachtwijze vanaf een lage tak ten goede komt. In de Verenigde Staten broedt hij tussen ongeveer 1950 en 2850 meter; in het zuiden van het areaal daalt hij tot rond 600 meter.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

In de Verenigde Staten beperkt tot de sky islands van Zuidoost-Arizona — de Huachuca, Santa Rita, Santa Catalina, Chiricahua en Pinaleño Mountains — en tot enkele bergen in Zuidwest-New Mexico; de noordelijke ondersoort pygmaeus is er van april tot september aanwezig en trekt daarna naar Noordwest-Mexico. Zuidelijker is de soort standvogel: door de Sierra Madre Occidental en Oriental van Sonora, Chihuahua en Nuevo León zuidwaarts tot Oaxaca en Chiapas, en verder in Guatemala, El Salvador en Honduras.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Loop tussen half mei en eind juni vroeg in de ochtend een brede canyon in de Huachuca of Chiricahua Mountains in — Sawmill, Carr of Cave Creek — en luister naar het korte tsjie-lik vanaf een lage tak in een open dennenbos met gras eronder. Kijk daarna pas naar de borst: in verse veren geeft de roomkleur direct uitsluitsel, later in het seizoen niet meer.

Staat van instandhouding

BirdLife schat de wereldpopulatie op meer dan twee miljoen volwassen vogels, met een afnemende trend; Partners in Flight geeft de soort 12 van de 20 punten op de Continental Concern Score. In Arizona namen de aantallen af en trok de noordgrens van het areaal tussen het eind van de negentiende eeuw en de jaren zeventig zuidwaarts; branden onderdrukken, overbegrazing en houtkap worden als oorzaken genoemd. Lichte, laagintensieve branden die de struiklaag opruimen maar de grote bomen sparen, gaan met hogere aantallen samen.

Wetenschappelijke naam

Empidonax fulvifrons | (Giraud, 1841)

Giraud beschreef de soort in 1841 als Muscicapa fulvifrons; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De opgegeven typelocatie Texas berust vrijwel zeker op een vergissing: Ridgway wees in 1884 al op de bergen van Noordoost-Mexico, en Lowery en Dalquest beperkten de vindplaats in 1951 tot Miquihuana in Tamaulipas. Fulvifrons is Latijn voor 'met het geelbruine voorhoofd', uit fulvus 'geelbruin' en frons 'voorhoofd'. Het geslacht Empidonax werd in 1855 ingevoerd door Cabanis, uit het Grieks empis, empidos 'mug' en anax 'heerser'.