Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Sparrenfeetiran
Sparrenfeetiran | Empidonax hammondii
Hammond's Flycatcher | Mosquero de Hammond
De sparrenfeetiran is een kleine feetiran van het oude naaldbos in het westen van Noord-Amerika. Hij broedt hoog in douglasspar, zilverspar en lariks, van Zuidoost-Alaska tot de bergen van Arizona, en overwintert in het bergbos van Mexico en Midden-Amerika. Zoals alle Empidonax-soorten is hij op uiterlijk nauwelijks vast te leggen; de korte, drieledige zang wel.
Geluid
De zang bestaat uit drie korte, hese delen die de vogel in wisselende volgorde afwerkt: een omhooggaand se-pit, een schor tsurrp en een laag, rauw grrrk. Dat laatste deel blijft laag en burrig — daarin verschilt hij van de struikfeetiran, die eindigt op een heldere, hoge psiet. De roep is een scherpe, hoge piek, ongeveer de toon van een dwergboomklever, en klinkt het hele jaar door, ook op trek. Mannetjes zingen het meest en het hoogst vroeg in het broedseizoen; vanaf begin juli neemt de zang sterk af.
Opname: Andrew McCafferty — CC BY-NC-SA 4.0 · Sooke Potholes Provincial Park, Capital Regional District, British Columbia, Canada · xeno-canto
Herkenning
Klein, kortstaartig en grootkoppig, met een lange vleugelpunt: de handpennen steken ver voorbij de tertials uit. De snavel is klein en smal en grotendeels donker, ook aan de onderzijde. Kop en borst zijn grijs, de rug olijfgroen, de buik bleekgeel; de witte oogring is breed en loopt achter het oog vaak in een druppelvorm uit. De vogel wipt vleugels en staart met een snelle, omhooggerichte beweging. Uiterlijk brengt je binnen deze groep maar tot een handvol kandidaten: een zwijgende feetiran is in het veld vaak niet op naam te brengen, en alleen zang en roep geven een betrouwbare determinatie.
Verwarringssoorten
Tegenover de struikfeetiran telt het geluid het zwaarst: de roep is hier een scherpe, hoge piek, daar een droog wit; de zang eindigt hier op een lage, burrige noot, daar op een heldere hoge psiet. Aanvullend: de sparrenfeetiran heeft een langere handpenprojectie, een kleinere en donkerdere snavel en zingt vanuit de kroon van hoog, gesloten naaldbos, terwijl de struikfeetiran de struiklaag en open, verstruikte hellingen daaronder bezet. De kleine feetiran zingt een nadrukkelijk, snel herhaald tsje-BEK en roept wit, en broedt in loofbos van het oosten. De alsemfeetiran beweegt de staart langzaam naar beneden in plaats van naar boven, zingt tweedelig tsjoe-wip … tsjiep en heeft een lange snavel met een schoon oranje ondersnavel; hij zit in sagebrush (grijsgroen alsemstruweel van het droge westelijke binnenland) en jeneverbes, niet in hoog naaldbos. De blonde feetiran zingt tsjie-lik en heeft een warme roomkleurige borst.
Leefgebied
Rijp en oud naaldbos en gemengd bos met openingen in de kroon, meestal boven ruwweg 1000 meter en in het zuiden tot boven 3000 meter. Douglasspar, zilverspar, lariks en den, vaak met ratelpopulier erbij. Hij foerageert en nestelt hoger in de boom dan de andere feetirannen van dezelfde bergen. Op trek gebruikt hij vrijwel alles: woestijncanyons, rivierbosjes en bergpassen tot aan de boomgrens. In de winter zit hij in koel bergbos van den en eik in Mexico en Midden-Amerika, niet in het laagland.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied loopt van Zuidoost-Alaska en Yukon door Brits-Columbia en Alberta zuidwaarts over de Cascaden, de Sierra Nevada en de Rocky Mountains tot in de bergen van Arizona en New Mexico. De trek verloopt breed over het westen; in het voorjaar trekken mannetjes gemiddeld vroeger dan vrouwtjes. Overwinteren doet hij in de hooglanden van Mexico, van Sonora en Chihuahua zuidwaarts, en verder in Guatemala, El Salvador, Honduras en Nicaragua.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in mei en juni, als mannetjes vanaf een tak halverwege de kroon van een oude douglasspar zingen; na begin juli valt de zang grotendeels weg. Laat je vooral door het geluid leiden: de scherpe piek klinkt ook buiten het broedseizoen, wanneer de vogel op trek in woestijnstruweel of op een hoge bergpas opduikt.
Staat van instandhouding
De soort is niet bedreigd (LC). Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de wereldpopulatie op ongeveer 20 miljoen vogels en geeft de soort 10 van de 20 punten op de Continental Concern Score (de Noord-Amerikaanse zorgscore van 1 tot 20). De Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) wees tussen 1968 en 2015 op een toename van ongeveer 0,8 procent per jaar. Hij broedt vooral in bos van tachtig jaar en ouder en in percelen van minstens tien hectare, waardoor houtkap in het noordwesten het belangrijkste knelpunt vormt; ontbossing van het Midden-Amerikaanse bergbos raakt hem in de winter.
Wetenschappelijke naam
Empidonax hammondii | (Xántus, 1858)
Xántus beschreef de soort in 1858 als Tyrannula hammondii, naar materiaal van Fort Tejon in Californië; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam eert William Alexander Hammond, legerarts en verzamelaar, die Xántus van materiaal voorzag. Het geslacht Empidonax werd in 1855 ingevoerd door Cabanis, uit het Grieks empis, empidos 'mug' en anax 'heerser' — 'muggenheerser'. De Nederlandse naam verwijst naar het naaldbos waarin hij broedt.




