Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Oeverfeetiran

Oeverfeetiran | Empidonax difficilis

Western Flycatcher | Mosquero del Pacífico

De oeverfeetiran is de Empidonax van beschaduwde bergbeken en canyons in het westen van Noord-Amerika, van Zuidoost-Alaska tot Centraal-Mexico. Sinds 2023 zijn de eerder gesplitste kustfeetiran en Rocky Mountains-feetiran weer als één soort samengevoegd, omdat zang, verenkleed en genen niet consistent uiteenliepen en de twee vormen op grote schaal met elkaar broeden.

Oeverfeetiran (Empidonax difficilis)
Foto: goingslo on Flickr — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De positieroep van het mannetje is het determinatiekenmerk: een dun, hoog en stijgend psiet of tsie-siet, bij vogels van de Pacifische kust meestal één opwaarts gesleepte lettergreep, bij vogels van de binnenlandse bergen vaker in twee gescheiden delen, pit-PIET, waarbij de tweede noot hoger staat dan de eerste. Tussen beide uitersten bestaat een doorlopende reeks tussenvormen. De volledige zang is een snelle aaneenschakeling van drie elementen, psiet–ptsiek–siet, vaak voor zonsopgang gegeven. Verder een kort tsip als contactgeluid.

Luister: ZangXC1009895

Opname: Cin-Ty Lee — CC BY-NC-SA 4.0 · Avalon, Los Angeles County, California, United States · xeno-canto

Herkenning

Groenbruin van boven, bleek van onderen met een gele waas over buik en keel, twee lichte vleugelstrepen en een oogring die achter het oog in een punt doorloopt, zodat hij druppel- of amandelvormig oogt. De ondersnavel is geheel oranje, zonder donkere punt. De houding is rechtop en de kruin gepiekt; versleten zomervogels zien er bruin van boven en vaalgrijs van onderen uit, waarmee de gele tinten grotendeels verdwijnen. Ook hier geldt dat het uiterlijk alleen een richting geeft: de gele keel en de druppelvormige oogring sluiten de oostelijke soorten uit, maar binnen het westen scheidt uiteindelijk alleen de roep hem van zijn buren.

Verwarrings­soorten

Tegenover de wilgenfeetiran, waarmee hij in het westen samen voorkomt: die heeft een witte keel en vrijwel geen oogring, zingt een niezend FITS-bjoe en roept een vol wiet, tegenover het dunne stijgende psiet; bovendien zit de wilgenfeetiran in open wilgenstruweel langs water, de oeverfeetiran in beschaduwd bos in een ravijn. Tegenover de berkenfeetiran: dat is de oostelijke tegenhanger met even veel geel maar een ronde, niet druppelvormige oogring, een dalend tsje-BUNK en een stijgend gefloten per-WIE; de arealen overlappen niet. Tegenover de beukenfeetiran: witte keel, langere vleugelprojectie, explosief piet-sa, en een oostelijk bosareaal. Tegenover de elzenfeetiran: witte keel, zwakke oogring, buizerig fie-BIE-o en droog pip, in nat noordelijk elzenstruweel.

Leefgebied

Beschaduwd naald- of gemengd bos in bergen en aan de westkust, meestal dicht bij stromend water: steilwandige ravijnen en canyons, douglassparbos, sequoiabos, dennen-eikenbos en oeverbos. Kronendakgaten en vochtige, koele lucht zijn vaste elementen. Het nest is een napje van bast, blad en mos, aan elkaar gehecht met spinrag, op een boomvork, een rotsrichel, een oeverwal of een balk in een schuur, meestal laag. In de overwintering gebruikt hij uiteenlopende bostypen in West-Mexico.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedt van Zuidoost-Alaska en Brits-Columbia zuidwaarts door Washington, Oregon en Californië en door de Rocky Mountains en de bergen van het Grote Bekken tot Arizona, New Mexico en West-Texas, met een oostelijke buitenpost in de Black Hills; verder in de bergen van Noord-Mexico. In Centraal-Mexico is een deel van de populatie het hele jaar aanwezig. De noordelijke vogels overwinteren in West-Mexico, langs de kustvlakte vanaf Jalisco naar het noorden en in een strook langs de westflank van de Sierra Madre Occidental, zuidwaarts tot Guerrero en Oaxaca.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in mei en juni langs een schaduwrijke bergbeek of in een canyon met douglasspar; hij roept vanuit de onderste tien meter en verplaatst zich in korte uitvallen. Ga af op de roep en niet op de kleur — versleten vogels in juli zien er anders uit dan verse vogels in mei. Kijk ook naar overhangende oevers, bruggen en schuurbalken: daar staan veel nesten.

Staat van instandhouding

Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de wereldpopulatie op ongeveer 13,1 miljoen vogels. Het aantal daalde tussen 1966 en 2021 met ongeveer 0,45 procent per jaar, samen ongeveer 28 procent. Het verlies van vochtig bergnaaldbos in het broedgebied en van bos in het Mexicaanse overwinteringsgebied is de belangrijkste druk. De samenvoeging van 2023 bracht kustfeetiran en Rocky Mountains-feetiran onder één soort; beide stonden op de Rode Lijst als niet bedreigd (LC), en zo geldt ook de samengevoegde soort.

Wetenschappelijke naam

Empidonax difficilis | Baird, 1858

Spencer F. Baird beschreef de soort in 1858 als Empidonax difficilis, naar materiaal van de westkust van de Verenigde Staten; het typemateriaal werd in 1949 door Brodkorb beperkt tot Fort Steilacoom in Washington. Omdat de soort in hetzelfde geslacht is gebleven, staan auteur en jaartal zonder haakjes. De soortnaam difficilis is Latijn voor 'moeilijk', naar de determinatie. Empidonax komt van het Griekse empis 'mug' en anax 'heer'. De Nederlandse naam verwijst naar de beekoevers van zijn leefgebied, de Spaanse naam naar de Pacifische kust; de Engelse naam Western Flycatcher werd in 2023 hersteld toen de twee eerder afgesplitste soorten werden samengevoegd.