Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Berkenfeetiran

Berkenfeetiran | Empidonax flaviventris

Yellow-bellied Flycatcher | Mosquero Ventriamarillo

De berkenfeetiran is de Empidonax van de sphagnumveenbossen van boreaal Canada en het noordoosten van de Verenigde Staten. Hij is de enige feetiran van het oosten met een duidelijk gele keel, en de enige die zijn nest op de grond bouwt, verstopt in mos of onder een omgevallen boomwortel.

Berkenfeetiran (Empidonax flaviventris)
Foto: Cephas — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een kort, schor en dalend tsje-BUNK of tse-berk, harder en ruwer aan het einde dan het scherpe tsje-bek van de kleine feetiran. De roep is een omhoog getrokken, gefloten per-WIE of toe-WIE, twee lettergrepen met een stijgende toon — het meest bruikbare kenmerk buiten de broedtijd, ook in de overwintering. Hij zingt vooral in de vroege ochtend en schemering, vanuit de lage en middelste laag van een veenbos.

Luister: VluchtroepXC1014722

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · La Côte-de-Beaupré (near La Barrière-du-Maurice), Capitale-Nationale, Québec, Canada · xeno-canto

Herkenning

Groen van boven, geel van onderen, met een gele keel en een olijfgrijze waas over de borst; twee bleekgele tot witachtige vleugelstrepen en een brede, volledige oogring die als een lichte ring rond het oog staat en de kop een wijd-open uitdrukking geeft. De kop is groot, met een piek achter op de kruin, en de staart kort. De snavel is breed en plat, met een geheel oranjeroze ondersnavel. Het gele geheel is bij deze soort het meest uitgesproken van alle oostelijke feetirannen, maar ook hier blijft geluid de enige determinatie die altijd sluit: verse najaarsvogels van andere soorten kunnen ook geel lijken.

Verwarrings­soorten

Tegenover de beukenfeetiran: die heeft een witte of hoogstens bleekgele keel, een langere staart en een veel langere vleugelprojectie, en zingt explosief piet-sa met een zacht piet als roep, tegenover het dalende tsje-BUNK en het stijgende per-WIE. Tegenover de elzenfeetiran: witte keel, zwakke oogring, buizerig fie-BIE-o en droog pip, in nat elzenstruweel in plaats van veenbos. Tegenover de wilgenfeetiran: witte keel, vrijwel geen oogring, niezend FITS-bjoe en vol wiet, in open wilgenstruweel. Tegenover de oeverfeetiran: die heeft een oogring die achter het oog in een punt uitloopt, dus druppelvormig in plaats van rond, roept een dun stijgend psiet of tweedelig pit-PIET, en broedt uitsluitend in het westen; de arealen raken elkaar niet. Aanvullend en in de hand bruikbaar: de berkenfeetiran heeft breed okerkleurig gezoomde armpennen.

Leefgebied

Vochtig, koel naaldbos met een dikke moslaag: veenbossen met zwarte spar, sphagnumveen, moerassen en beekrandbos met heide en blauwe bosbes in de ondergroei; in het zuidoosten van het areaal ook vochtig gemengd bos met berk en balsemspar. Hij foerageert laag tot halverwege. In de overwintering zit hij in vochtig tropisch bos en in schaduwkoffieplantages van Zuid-Mexico en Midden-Amerika. Het nest staat op of vlak boven de grond, onder een wortel, in een holte in een boomstam of in een mospol.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedt van Noordoost-Brits-Columbia en de Northwest Territories oostwaarts door boreaal Canada tot Newfoundland, en zuidwaarts tot Noord-Minnesota, Noord-Wisconsin, het bovenschiereiland van Michigan, de Adirondacks van New York en Noord-New England. Hij is een late voorjaarstrekker, meestal pas eind mei aanwezig, en trekt in augustus en september weg. De trek loopt door het oosten van de Verenigde Staten en Oost-Mexico naar het overwinteringsgebied van Zuid-Mexico tot Panama.

  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem eind mei of in juni in een veenbos met zwarte spar en sphagnum, in het eerste uur na zonsopgang. Tijdens de trek, in mei en in september, valt hij het meest op aan de stijgende per-WIE-roep vanuit dicht struikgewas; gaat een kleine, gele feetiran met een ronde oogring in het oosten van de Verenigde Staten door struweel, dan loont het om op dat geluid te wachten.

Staat van instandhouding

Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 14 miljoen vogels; het aantal nam sinds 1966 met ongeveer 2 procent per jaar toe en de soort geldt als niet bedreigd (LC). Het areaal ligt grotendeels in dunbevolkt boreaal gebied, waar de druk van houtkap en veenontwatering plaatselijk speelt maar het beeld niet bepaalt. Verlies van vochtig bos en van schaduwkoffie in het overwinteringsgebied is het belangrijkste aandachtspunt.

Wetenschappelijke naam

Empidonax flaviventris | (Baird; Baird, 1843)

William M. Baird en Spencer F. Baird beschreven de soort in 1843 als Tyrannula flaviventris, naar een exemplaar bij Carlisle in Pennsylvania; door de latere plaatsing in Empidonax staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam komt van het Latijnse flavus 'geel' en venter 'buik', dus 'geelbuik' — de Engelse en de Spaanse naam zeggen hetzelfde. Empidonax gaat terug op het Griekse empis 'mug' en anax 'heer'. De Nederlandse naam verwijst naar de berk, een boom van het vochtige noordelijke bos waarin hij broedt.