Alle soortenZangvogelsTirannen › Wilgenfeetiran

Wilgenfeetiran | Empidonax traillii

Willow Flycatcher | Mosquero Saucero

De wilgenfeetiran broedt in wilgenstruweel langs beken, poelen en natte weiden, van de Atlantische kust tot de westkust en van Zuid-Canada tot het zuidwesten van de Verenigde Staten. Hij is de zuidelijke tegenhanger van de elzenfeetiran, waarmee hij tot 1973 als één soort gold; de zang scheidt de twee, het uiterlijk niet.

Wilgenfeetiran (Empidonax traillii)
Foto: Becky Matsubara — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een niezende frase van twee lettergrepen, FITS-bjoe, met de klem op het eerste deel en een schor, afgeknepen slot; de vogel herhaalt hem vanaf een uitstekende tak boven het struweel. De roep is een droog, vol wiet, dat hij ook buiten het broedseizoen en op doortrek laat horen; dat wiet is in nazomer en herfst vaak het enige bruikbare kenmerk. Daarnaast klinkt een herhaald krriet bij verstoring bij het nest.

Luister: RoepXC143633

Opname: Jonathon Jongsma — CC BY-SA 3.0 · Murphy-Hanrehan Park Reserve, Dakota, Minnesota, United States · xeno-canto

Herkenning

Bruinolijf van boven, vuilwit van onderen met een lichte gele waas op de buik, een grijzige borstband en een contrasterend witte keel; twee witachtige vleugelstrepen. De oogring is zeer dun of ontbreekt geheel — samen met de elzenfeetiran de zwakste oogring van de groep. De ondersnavel is bleek oranje. De snavel is naar verhouding breed, de kop vrij vlak. Zoals bij alle feetirannen is het uiterlijk niet sluitend: alleen zang of roep leveren een betrouwbare determinatie, en zwijgende vogels van dit soortenpaar blijven 'Traills feetiran'.

Verwarrings­soorten

Tegenover de elzenfeetiran, het lastigste paar: FITS-bjoe van twee lettergrepen met de klem voorop, tegenover het buizerige drielettergrepige fie-BIE-o met de klem in het midden; de roep is een vol, nat wiet tegenover een droog pip. Habitat scheidt aanvullend: de wilgenfeetiran in warmer, lager en zuidelijker wilgenstruweel langs beken en in bergweiden van het westen, de elzenfeetiran in koudere, noordelijke elzenmoerassen. Tegenover de beukenfeetiran: explosief piet-sa, zacht piet, en gesloten loofbos in plaats van open struweel. Tegenover de berkenfeetiran: gele keel tegenover witte, dalende schorre tsje-BUNK en stijgend gefloten per-WIE, en naaldbos-veen in plaats van wilgenstruweel. Tegenover de oeverfeetiran, waarmee hij in het westen samen voorkomt: dun, stijgend psiet of tweedelig pit-PIET, een duidelijke druppelvormige oogring en gele keel, en beschaduwde bergbeekdalen in plaats van open struweel.

Leefgebied

Struweel van wilg en andere loofstruiken bij stilstaand of stromend water: beekdalen, moerasranden, natte weiden, verlandende poelen en in het westen bergweiden en oevergordels. In het noordwesten van de Verenigde Staten broedt hij ook in drogere struwelen op kapvlaktes. Overwintert in struwelen, open plekken en bosranden nabij water in Midden-Amerika. Het nest staat laag in een verticale vork, meestal tussen een halve en anderhalve meter hoogte.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedgebied van Nova Scotia en Maine westwaarts door Zuid-Canada tot Brits-Columbia, en zuidwaarts door het grootste deel van de Verenigde Staten tot Zuid-Californië, Arizona, New Mexico en West-Texas; in het oosten zuidwaarts tot de Appalachen van Virginia en Noord-Carolina, maar afwezig in het diepe zuiden en Florida. Vier ondersoorten worden onderscheiden, waaronder extimus van de zuidwestelijke oeverbossen. De trekafstand bedraagt ruwweg 1500 tot 8000 kilometer; de overwintering ligt van West-Mexico door Midden-Amerika, met het zwaartepunt van Guatemala tot Costa Rica en kleine aantallen tot Ecuador.

  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in juni langs een beek met wilgenstruweel; hij zingt vanaf de top van een struik en gaat door tot laat in de ochtend. Wacht op het niezende FITS-bjoe en negeer kleur, oogring en snavel. In augustus en september is het droge wiet het enige waar je op kunt afgaan.

Staat van instandhouding

Partners in Flight schat de wereldpopulatie op ongeveer 8,1 miljoen vogels; het aantal daalde tussen 1966 en 2019 met ongeveer 25 procent. De ondersoort extimus van het zuidwesten is sinds 1995 federaal aangemerkt als bedreigd, met bij de aanwijzing 300 tot 500 broedparen op ongeveer 75 oeverlocaties; oorzaken zijn verlies van oeverbos, begrazing en parasitering door de bruinkopkoevogel. Herstel van inheemse oevervegetatie is de gebruikte maatregel: ongeveer negentig procent van de nesten wordt in inheemse begroeiing gevonden, niet in de ingevoerde tamarisk. Bevers dragen bij aan het in stand houden van geschikt oeverstruweel.

Wetenschappelijke naam

Empidonax traillii | (Audubon, 1828)

Audubon beschreef de soort in 1828 als Muscicapa traillii, naar materiaal uit bossen langs de Arkansas River; door de plaatsing in Empidonax staan auteur en jaartal tussen haakjes. Hij noemde de vogel naar de Schotse arts en zoöloog Thomas Stewart Traill. Het geslacht Empidonax werd in 1855 ingevoerd door Jean Cabanis, uit het Grieks empis 'mug' en anax 'heer'. De Nederlandse, Engelse en Spaanse naam verwijzen alle naar de wilg, de struik waarin de soort meestal broedt.