Alle soortenZangvogelsTirannen › Beukenfeetiran

Beukenfeetiran | Empidonax virescens

Acadian Flycatcher | Mosquero Verdoso

De beukenfeetiran is de Empidonax van het gesloten loofbos in het oosten van de Verenigde Staten: een groene feetiran van beekdalen en ravijnen, die in de middelste laag van het bos zit en van daaruit insecten van de onderkant van bladeren plukt. Van de tien Noord-Amerikaanse feetirannen is hij de grootste en de groenste, maar ook bij hem is het geluid de enige determinatie die altijd houdt.

Beukenfeetiran (Empidonax virescens)
Foto: lwolfartist — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een explosieve tweelettergrepige uitroep, piet-sa of ka-ziep, met de klem op de eerste lettergreep en een opwippend einde; hij klinkt korter en harder dan de zang van elke andere feetiran. De vogel zingt vooral in de vroege ochtend vanaf een dode tak halverwege het bos, en herhaalt de frase enkele malen per minuut, uren achtereen. De roep is een zacht, vlak piet. Daarnaast klinkt een snelle, hoge reeks ti-ti-ti-ti bij opwinding en een lachend geluid dat op de roep van de goudspecht lijkt.

Luister: ZangXC690685

Opname: Andres Felipe Espinosa — CC BY-SA 4.0 · Ibague, Tolima, Colombia · xeno-canto

Herkenning

Olijfgroen van boven, wit tot bleekgeel van onderen, met twee brede lichte vleugelstrepen, een smalle maar volledige oogring en een grote, brede snavel waarvan de ondersnavel geheel oranje is. De kop is hoekig met een piek achter op de kruin, de staart is lang, en de vleugelpunt reikt ver voorbij de staartdekveren — de langste vleugelprojectie van de groep. Toch geldt voor alle feetirannen hetzelfde: kleurverschillen tussen de soorten zijn kleiner dan de verschillen tussen een verse en een versleten vogel van dezelfde soort. Betrouwbaar determineren kan alleen op geluid; een zwijgende Empidonax blijft in de praktijk een Empidonax.

Verwarrings­soorten

Tegenover de elzenfeetiran: die zingt een buizerige drielettergrepige fie-BIE-o en roept een droog pip, tegenover de explosieve piet-sa en het zachte piet van de beukenfeetiran; de elzenfeetiran zit in natte elzenstruwelen op kniehoogte, de beukenfeetiran halverwege gesloten bos. Tegenover de wilgenfeetiran: die zingt een niezend FITS-bjoe van twee lettergrepen met de klem voorop en roept een vol wiet; hij zit in open wilgenstruweel, nooit in bosinterieur. Tegenover de berkenfeetiran: die heeft een gele keel in plaats van een witte en zingt een dalend, schor tsje-BUNK, met als roep een omhoog getrokken gefloten per-WIE. Tegenover de oeverfeetiran: die zingt een dun, stijgend psiet of tweedelig pit-PIET, heeft een druppelvormige oogring en komt niet ten oosten van de Great Plains voor. Aanvullend uiterlijk kenmerk van de beukenfeetiran is de lange vleugelprojectie en de geheel oranje ondersnavel.

Leefgebied

Volgroeid, gesloten loofbos in het laagland, met voorkeur voor beekdalen, ravijnen en moerasbos met beuk, esdoorn, plataan en hemlockspar. Hij zit in de middelste laag, onder het kronendak, waar de onderbegroeiing open is en het bladerdek dicht. De soort is gevoelig voor versnippering en komt vaker voor in grote boscomplexen dan in kleine percelen. In de overwintering gebruikt hij vochtig tropisch bos en bosranden in het laagland.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedvogel van het oosten van de Verenigde Staten, van Oost-Texas en Oost-Kansas tot de Atlantische kust, noordwaarts tot de zuidelijke Grote Meren, Zuid-New England en het uiterste zuidwesten van Ontario, zuidwaarts tot de Golfkust en Noord-Florida. Hij trekt over de Golf van Mexico en door Oost-Mexico en Midden-Amerika naar het overwinteringsgebied van Nicaragua tot Colombia, West-Venezuela en Ecuador. Het broedgebied wordt van eind april tot eind augustus bezet; de trek verloopt grotendeels 's nachts.

  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in mei en juni in het eerste uur na zonsopgang, in een ravijn of langs een bosbeek in een groot bosgebied: het explosieve piet-sa draagt ver en wordt elke tien tot twintig seconden herhaald. Loop naar het geluid toe en kijk omhoog naar dode zijtakken op acht tot vijftien meter. Noteer een zwijgende vogel niet op naam.

Staat van instandhouding

Partners in Flight schat de wereldpopulatie op ongeveer 5,2 miljoen vogels; de trend is over het geheel stabiel, met afname in het zuiden van het areaal. De belangrijkste druk is versnippering van het loofbos: in kleine bospercelen neemt de parasitering door de bruinkopkoevogel toe en daalt het broedsucces. Ontbossing in het overwinteringsgebied in Midden-Amerika en Noordwest-Zuid-Amerika werkt in dezelfde richting. De soort wordt gebruikt als indicator voor de toestand van aaneengesloten loofbos.

Wetenschappelijke naam

Empidonax virescens | (Vieillot, 1818)

Vieillot beschreef de soort in 1818 als Platyrhynchos virescens; door de latere plaatsing in een ander geslacht staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Empidonax werd in 1855 ingevoerd door Jean Cabanis, uit het Grieks empis 'mug' en anax 'heer', dus 'muggenheer'. De soortnaam virescens is Latijn voor 'groen wordend', naar de olijfgroene bovenzijde. De Engelse naam Acadian Flycatcher verwijst naar Acadia in Nova Scotia, waar de soort niet voorkomt; het door Vieillot beschreven exemplaar kwam uit de omgeving van Philadelphia. De Nederlandse naam verwijst naar de beuk, een kenmerkende boom van zijn broedbos.