Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Mozambiquesijs

Mozambiquesijs | Crithagra mozambica

Yellow-fronted Canary | Serín frentiamarillo

De mozambiquesijs is een Afrikaanse vink die als kooivogel naar Hawaï werd gebracht en daar sinds de jaren zestig van de vorige eeuw in het wild broedt. Binnen dit gidsgebied is hij alleen op de Hawaïaanse eilanden gevestigd; hij is te herkennen aan het gele gezicht met een zwarte streep van snavelbasis tot achter het oog.

Mozambiquesijs (Crithagra mozambica)
Foto: Derek Keats — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een aanhoudend, snel en hoog gekwetter van heldere fluittonen en trillers, in strofen van enkele seconden die met korte tussenpozen worden herhaald, meestal vanaf een open takpunt of een draad. Die zang is de reden dat de soort als kooivogel wordt gehouden. De roep is een dun, oplopend tsjwiet, in groepjes voortdurend herhaald.

Luister: ZangXC1140446

Opname: Marna Buys — CC BY-NC-SA 4.0 · Roodeplaat Nature Reserve, Metsweding, Gauteng, South Africa · xeno-canto

Herkenning

Een kleine, compacte vink met een korte kegelvormige snavel en een korte, licht ingesneden staart. Het mannetje is groengrijs op de bovendelen, met een heldergele stuit, gele onderdelen en een gele kop met een grijze kruin en nek. Over het gele gezicht lopen een zwarte teugelstreep die vanaf de snavelbasis onder het oog doorloopt en een tweede donkere streep die de gele oorstreek van onderen begrenst. Het vrouwtje is doffer, met een zwakker koppatroon en vaak een grijzig vlekje in de halszijde; jonge vogels zijn grijzer en op de borst licht gestreept.

Verwarrings­soorten

De kanarie, die als ontsnapte kooivogel kan opduiken, is groter en heeft geen zwarte gezichtsstrepen. De Japanse brilvogel, op Hawaï talrijk, is kleiner, heeft een witte oogring, een spitse snavel en een groene, ongetekende kop zonder gele stuit.

Leefgebied

In Afrika open bos, savanne en akkerland met verspreide bomen. Op Hawaï vooral droge, laaggelegen open terreinen: grazige hellingen met kiawe (Prosopis pallida, een geïntroduceerde Zuid-Amerikaanse doornstruik), parken, hotelterreinen, golfbanen, wegbermen en erven, meestal beneden ongeveer 1500 meter. Hij foerageert op de grond en aan grasstengels, die hij omlaagbuigt om bij de zaadaren te komen, en komt in groepjes op ingezaaide gazons.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het natuurlijke areaal beslaat een groot deel van Afrika bezuiden de Sahara. Buiten Afrika is de soort gevestigd op Mauritius, Réunion, de Kaapverdische eilanden en enkele andere eilanden. In Hawaï werden in de jaren zestig kooivogels losgelaten of ontsnapten ze; sindsdien is hij talrijk op Oʻahu, het Grote Eiland en Molokaʻi en in kleiner aantal op andere eilanden. Ook van Puerto Rico bestaan gevestigde meldingen. Trek is er niet; de vogels blijven het hele jaar in hetzelfde gebied.

HawaïNiihauKauaiOahuLanaiMolokaiKahoolaweMauiHawaii
  • Jaarrond
Kaartje van de archipel zelf: op de kaart van Noord-Amerika zou deze vogel een stipje linksonder zijn, en juist bij eilandsoorten gaat het om de vraag op wélke eilanden hij zit. De eilanden waar hij ontbreekt staan er grijs bij. Per eiland gemeten aan de waarnemingen van GBIF: het aantal waarnemingen van de soort gedeeld door alle vogelwaarnemingen daar, per seizoen, net als op de gewone kaart. Op Niihau en Kahoolawe wordt zo weinig gekeken dat de meting daar zwijgt en de standaardwerken het zeggen. Eilandcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Op Oʻahu of langs de Kona-kust van het Grote Eiland is hij in droog, grazig terrein en op hotelterreinen het hele jaar aan te treffen, vaak eerst op de zang. Let op de twee donkere strepen op het gele gezicht: dat patroon scheidt hem meteen van alle andere gele vogels op de eilanden.

Staat van instandhouding

In het natuurlijke Afrikaanse areaal is de soort wijdverbreid en talrijk, met een stabiele of stijgende trend, en op de Rode Lijst staat ze als niet bedreigd (LC). Op Hawaï is ze een ingevoerde soort. Zij eet vooral zaad van uitheemse grassen en kruiden in aangetast laagland en dringt nauwelijks door in het inheemse hooggebergtebos, zodat ze geen aangetoonde invloed op de overgebleven inheemse vogels heeft; wel kan ze, zoals andere ingevoerde vogels, zaad van uitheemse planten verspreiden.

Wetenschappelijke naam

Crithagra mozambica | (Müller, 1776)

Philipp Ludwig Statius Müller beschreef de soort in 1776 als Fringilla mozambica, naar een exemplaar uit Mozambique; omdat ze later naar een ander geslacht ging, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam verwijst dus naar die typelocatie en komt in de Nederlandse naam terug. Het geslacht Crithagra werd in 1827 ingevoerd door William Swainson, naar het Griekse krithē 'gerst' en agra 'vangst', dus 'graanvanger', naar het zaadeten. De soort stond lang in Serinus, maar dat geslacht bleek uit meerdere niet-verwante takken te bestaan, waarna de Afrikaanse soorten naar Crithagra terugkeerden.