Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Grote barmsijs
Grote barmsijs | Acanthis flammea
Common Redpoll | Pardillo sizerín
De grote barmsijs broedt rond de hele noordpool in de dwergberken- en wilgengordel aan de bovenrand van het bos en komt in wisselende winters in groepen naar het zuiden. Hij is te herkennen aan de karmijnrode voorhoofdsvlek boven een zwart keelvlekje. Sinds 2024 worden de vroegere witstuitbarmsijs en kleine barmsijs tot dezelfde soort gerekend.
Geluid
De vluchtroep is een droge, ratelende reeks van drie tot vijf harde tonen, tsjet-tsjet-tsjet, die een overvliegende groep aaneengesloten laat horen; dat geluid verraadt hem meestal voordat je hem ziet. Daarnaast klinkt een langgerekt, klagend swie-iet. De zang bestaat uit die ratelnoten afgewisseld met snelle trillers, vaak in een golvende zangvlucht boven de toendra.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Neljan Tuulen Tupa, Finland · xeno-canto
Herkenning
Een kleine, kortstaartige vink met een korte, spitse gele snavel met een donkere punt, een diep gevorkte staart en twee smalle witte vleugelstrepen. Beide geslachten hebben een glanzend karmijnrode vlek op het voorhoofd en een klein zwart vlekje op kin en keel. De bovendelen zijn grijsbruin met donkere streping, de onderdelen wit met streping op de flanken; het mannetje heeft in het voorjaar een rozerode aanslag op borst en stuit. Binnen de soort loopt het verenkleed door van donkere, sterk gestreepte vogels tot bleke, vrijwel witte exemplaren met een ongestreepte stuit.
Verwarringssoorten
De bleekste barmsijzen, vroeger als aparte witstuitbarmsijs beschreven, hebben een kortere snavel, een witte ongestreepte stuit en veel minder streping op de flanken en de onderstaartdekveren; ze horen nu tot dezelfde soort en zijn een uiteinde van een doorlopende reeks, niet een aparte vogel. De dennensijs heeft een langere, dunnere snavel, gele vleugel- en staartbasisvelden en geen rood voorhoofd of zwarte kin. De Mexicaanse roodmus is groter, heeft een zwaardere snavel en mist de vleugelstrepen.
Leefgebied
Broedt op toendra en in de open bosgordel daarboven, met dwergberk, wilg en els langs beken en op vochtige hellingen, en in boreaal naaldbos met open plekken. In de winter in berken- en elzenopstanden, houtwallen, ruigten met onkruidzaad, wegbermen en tuinen met voedertafels met nigerzaad. Het zaad van berk en els is dan de hoofdvoedselbron; bij strenge kou graaft hij zich voor de nacht in een tunnel in de sneeuw.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedvogel in Alaska, Yukon, de Northwest Territories, Nunavut, Noord-Quebec en Labrador, Groenland en verder rond de hele Arctis. In het najaar trekt hij naar Zuid-Canada en het noorden van de Verenigde Staten; in sommige winters blijft het daarbij, in andere komen grote aantallen tot in de middenstaten. Die invasies volgen ruwweg een tweejarig ritme dat samenhangt met de zaadoogst van berken in het broedgebied: bij een slechte oogst komt hij ver naar het zuiden, bij een goede blijft hij grotendeels in het noorden.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek in een invasiewinter naar groepen die aan de hangende katjes van berken hangen, vaak ondersteboven, of naar een voedertafel met nigerzaad. Wees bedacht op de ratelende tsjet-tsjet-roep uit de lucht; bij een groep op de grond loont het de bleekste vogels apart te bekijken, al vormen die geen aparte soort meer.
Staat van instandhouding
De soort is wijdverbreid en talrijk en niet bedreigd (LC) — Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) kwam vóór de taxonomische samenvoeging van 2024 op ongeveer 250 miljoen vogels — maar staat op de lijst van gewone vogels in sterke afname. De aantallen op de winterkaart schommelen zo sterk per jaar dat de trend moeilijk te meten is. Bij voedertafels breken uitbraken van salmonellose uit als veel vogels bij elkaar komen. Op langere termijn wordt opschuiving van de boomgrens door klimaatverandering als knelpunt voor het broedgebied genoemd.
Wetenschappelijke naam
Acanthis flammea | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fringilla flammea, naar Europese vogels; omdat ze later naar een ander geslacht ging, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Acanthis gaat terug op het Griekse akanthis, de naam van een kleine zaadetende vogel, afgeleid van akantha 'doorn' of 'distel'. De soortnaam flammea is Latijn voor 'vlamkleurig', naar de rode voorhoofdsvlek. De Nederlandse naam grote barmsijs onderscheidde hem van de kleinere Europese vorm, die nu tot dezelfde soort wordt gerekend.





