Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Witbandkruisbek
Witbandkruisbek | Loxia leucoptera
White-winged Crossbill | Piquituerto franjeado
De witbandkruisbek is de kruisbek van de sparrenbossen: een zware vink met gekruiste snavelpunten en twee brede witte vleugelstrepen. Hij volgt de kegeloogst van sparren en lariks door het boreale woud en broedt waar op dat moment zaad hangt, desnoods midden in de winter.
Geluid
De zang is een lange reeks harde ratels en droge trillers, gebracht vanaf een hoge zangpost of in een zangvlucht boven de kruinen, en klinkt schetterend en mechanisch. De vluchtroep is een droog, snel tsjet-tsjet-tsjet, hoger en dunner dan die van de kruisbek; meestal is dat het eerste wat je van een overtrekkende troep opvangt. Foeragerende groepen roepen bijna onafgebroken terwijl ze door de kegels klimmen.
Opname: Stein Ø. Nilsen — CC BY-NC-SA 4.0 · Guleng, Håkøya, Tromsø, Troms, Norway · xeno-canto
Herkenning
Het mannetje is rozerood tot framboosroze, met zwarte vleugels en staart en twee brede witte vleugelstrepen; de tertiairen hebben witte punten die een derde streep kunnen suggereren. Het vrouwtje is olijfgeel met een grijzige, gestreepte rug en dezelfde witte vleugeltekening. Jonge vogels zijn grijsbruin en zwaar gestreept, maar hebben de vleugelstrepen al. De snavelpunten kruisen elkaar; de snavel is slanker en fijner dan die van de kruisbek.
Verwarringssoorten
De kruisbek heeft geen witte vleugelstrepen en een zwaardere, bottere snavel; jonge kruisbekken tonen soms smalle bleke vleugelstrepen, maar die zijn beige in plaats van scherp wit en de vleugel blijft bruin in plaats van zwart. De haakbek is groter, heeft een korte ronde snavel zonder kruising en is zachter roze, met dunnere witte strepen. Bij een troep hoog in de kruinen geeft de roep sneller uitsluitsel dan het verenkleed: hoog en droog bij de witbandkruisbek, laag en hard bij de kruisbek.
Leefgebied
Boreaal naaldbos met witte, zwarte en Engelmannspar, balsemzilverspar en Amerikaanse lariks, tot in de open bossen van de muskeg (drassig veen met sparren, kenmerkend voor boreaal Canada) en het dwergstruweel aan de boomgrens. Sparrenzaad is het hoofdvoedsel; in de zomer komen er insecten bij, vooral rupsen van de sparrenknopbladroller. Dennen- en hemlockbos gebruikt hij nauwelijks. Bij invasies verschijnt hij in aangeplante sparren in parken, tuinen en op begraafplaatsen ver buiten het broedgebied.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedvogel van de hele boreale gordel, van Alaska en Yukon oostwaarts tot Labrador en Newfoundland, en zuidwaarts tot Noord-New England, de Adirondacks, Noord-Minnesota, het noorden van Michigan en de bergen van Montana. Een vast trekpatroon is er niet: de soort is nomadisch en verplaatst zich naar waar de kegeloogst goed is. In jaren met een misoogst trekken grote aantallen zuidwaarts tot de Midden-Atlantische staten, het Middenwesten en soms tot Colorado en Washington; het jaar daarop kan hetzelfde gebied leeg blijven. Broedsels zijn in vrijwel elke maand van het jaar vastgesteld.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek in een invasiewinter naar kegeldragende sparren en lariksen in parken, langs wegen en op begraafplaatsen; luister eerst naar het droge geratel boven je hoofd en zoek daarna de bewegende vogels in de kruinen. Verse kegelschubben en afgevallen kegels onder een boom wijzen op een troep die er kort tevoren at. De vogels zijn weinig schuw en laten zich vaak tot op enkele meters benaderen.
Staat van instandhouding
Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 79 miljoen vogels; de soort geldt als niet bedreigd (LC). Doordat het aantal per gebied van jaar tot jaar met een factor tien kan verschillen, leveren telreeksen nauwelijks een bruikbare trend op. Het knelpunt ligt bij het bos zelf: versnippering van sparrenbos en kortere kapomlopen verminderen het aandeel oude, zwaar kegeldragende bomen waarvan de soort afhankelijk is.
Wetenschappelijke naam
Loxia leucoptera | Gmelin, 1789
Johann Friedrich Gmelin beschreef de soort in 1789 als Loxia leucoptera, naar exemplaren van Hudsonbaai en New York; auteur en jaartal staan zonder haakjes omdat de soort nog altijd in het oorspronkelijke geslacht staat. Loxia komt van het Griekse loxos 'schuin, scheef', naar de gekruiste snavelpunten. Leucoptera is Grieks voor 'witvleugelig', van leukos 'wit' en pteron 'vleugel', naar de twee vleugelstrepen. De Euraziatische ondersoort bifasciata draagt in het Nederlands dezelfde naam.




