Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Idahokruisbek
Idahokruisbek | Loxia sinesciuris
Cassia Crossbill | Piquituerto de Cassia
De idahokruisbek is de vogel met het kleinste areaal van heel Noord-Amerika ten noorden van Mexico: hij leeft uitsluitend in het lodgepole-dennenbos van de South Hills en de Albion Mountains in Zuid-Idaho, samen zo'n 70 vierkante kilometer. In 2017 werd hij afgesplitst van de kruisbek, waarvan hij lang als 'roeptype 9' bekendstond.
Geluid
De vluchtroep is een laag, hard en droog tsjup-tsjup-tsjup of djip-djip-djip, duidelijk lager en vlakker dan die van alle andere kruisbekken in de regio; dat kenmerk is de basis waarop de soort is onderscheiden. De zang is een aaneenschakeling van diezelfde harde notities met tussengevoegde ratels en trillers, meestal vanaf een dode top. Omdat de verschillen tussen kruisbekroepen met het oor moeilijk te ijken zijn, gebruiken onderzoekers geluidsopnamen en sonagrammen.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een gedrongen kruisbek met een zwaar, diep en breed uitziende snavel waarvan de punten elkaar kruisen. Het mannetje is baksteenrood tot roodoranje op kop, borst en buik, met donkerbruine vleugels zonder vleugelstrepen; het vrouwtje is dof groengeel tot olijf, jonge vogels zijn grijsbruin en gestreept. De snavel is zwaarder dan bij vrijwel alle kruisbekken die in Idaho voorkomen, maar het verschil is alleen in de hand of op een scherpe foto te meten.
Verwarringssoorten
De kruisbek is op verenkleed niet te scheiden: hetzelfde rood bij mannetjes, hetzelfde groengeel bij vrouwtjes. Het onderscheid zit in de snavel, die bij de idahokruisbek dieper en breder is, en vooral in de roep, die lager en droger klinkt dan die van de roeptypen die door de South Hills trekken. De witbandkruisbek valt af op de twee brede witte vleugelstrepen en de zwarte vleugel. Buiten de South Hills en de Albion Mountains is elke kruisbek op voorhand een andere soort.
Leefgebied
Bergbos van lodgepole-den tussen ruwweg 1500 en 2400 meter, op twee geïsoleerde hooglandeilanden. In deze twee gebergten ontbreekt de Amerikaanse rode eekhoorn, de belangrijkste zaadeter van lodgepole-den. Daardoor blijven de kegels jarenlang gesloten aan de boom hangen en is er het hele jaar zaad; tegelijk heeft de den er dikkere kegelschubben ontwikkeld, waar een zware snavel voor nodig is. De soort verlaat dit bostype niet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel van de South Hills en de Albion Mountains in Twin Falls County en Cassia County, Zuid-Idaho, en van nergens anders. Anders dan andere kruisbekken zwerft hij niet uit bij een slechte kegeloogst: de vogels blijven in hun twee gebergten, wat het zaadaanbod aan de boom mogelijk maakt. Er zijn enkele waarnemingen buiten het gebied, maar geen aanwijzing voor een tweede populatie. Het broedseizoen loopt van eind maart tot in juli.
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De kansrijkste plekken liggen langs de Rock Creek-weg door de South Hills, bij Diamondfield Jack en Porcupine Springs, waar het lodgepole-bos aan de weg komt. Neem een opnameapparaat mee: de determinatie berust op de vluchtroep, en een opname maakt de waarneming achteraf controleerbaar. De vogels drinken en nemen grit langs de wegkant, vooral in de vroege ochtend.
Staat van instandhouding
De populatie is geschat op enkele duizenden vogels; tellingen rond 2003 kwamen op ongeveer 5800 en latere jaren liggen daaronder. Extreme hittegolven laten de gesloten kegels openspringen, waarna het zaad in korte tijd verdwijnt, en bosbrand en aantasting door dennenkevers kunnen in één seizoen een groot deel van het bos wegnemen. Modellen van de bosontwikkeling geven aan dat lodgepole-den tegen het eind van deze eeuw uit beide gebergten kan verdwijnen. De IUCN heeft de soort nog niet beoordeeld; naar de criteria van de Rode Lijst zou het areaal van 70 vierkante kilometer alleen al tot een hoge categorie leiden.
Wetenschappelijke naam
Loxia sinesciuris | Benkman, 2009
Craig Benkman beschreef de soort in 2009 als Loxia sinesciuris; auteur en jaartal staan zonder haakjes omdat de soort in het oorspronkelijke geslacht bleef. Loxia is het Griekse loxos 'schuin, scheef', naar de gekruiste snavel. Sinesciuris is Latijn: sine 'zonder' en sciurus 'eekhoorn', naar het ontbreken van de rode eekhoorn in de twee gebergten — het feit waaraan de soort haar bestaan dankt. De Engelse naam verwijst naar Cassia County, de Nederlandse naar de staat Idaho.
