Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Oostelijke bospiewie
Oostelijke bospiewie | Contopus virens
Eastern Wood-Pewee | Pibí Oriental
De oostelijke bospiewie is de kleine, olijfgrijze piewie van het loofbos ten oosten van de Great Plains. Uiterlijk is hij nauwelijks van de westelijke bospiewie te scheiden, maar hij fluit een heldere, in lettergrepen gescheiden toon waaraan de hele groep zijn naam dankt. Hij broedt van Zuid-Canada tot de Golfkust en overwintert in het noordwesten van Zuid-Amerika.
Geluid
De zang is een helder, langzaam gefloten pie-a-WIE: de eerste lettergreep aangehouden, de tweede kort, de derde omhoog getrokken, gevolgd door een pauze en dan een langgerekt, dalend pie-oer. De twee frasen wisselen elkaar minutenlang af vanuit het kroondak. Bij het ochtendgloren komt daar een derde frase bij, een snel ah-di-die. De toon is helder en gescheiden in lettergrepen, zonder de nasale bijklank van de westelijke soort. De roep is een scherp tsjip.
Opname: Rory Nefdt — CC BY-NC-SA 4.0 · Hart’s Brook Park and Preserve (near Hartsdale), Westchester County, New York, United States · xeno-canto
Herkenning
Een middelgrote tiran met een puntige kruin, rechte houding, lange vleugels waarvan de punten tot ver over de staartbasis reiken, en een rustig gehouden staart. De bovendelen zijn olijfgrijs, de keel en buik vuilwit, de borstzijden donker, zodat het patroon van een openstaand vest ontstaat. Twee vuilwitte vleugelstrepen zijn duidelijk zichtbaar; een oogring ontbreekt. De ondersnavel is aan de basis oranjegeel, naar de punt donker. Hij zit hoog en vrij in de boom en keert na elke jachtvlucht naar dezelfde tak terug.
Verwarringssoorten
De westelijke bospiewie is op kleed niet te scheiden; de zang is het enige bruikbare kenmerk. De westelijke geeft één schor, nasaal, dalend brzjieeer zonder heldere fluittoon, waar de oostelijke pie-a-WIE en pie-oer in gescheiden lettergrepen fluit. Beide soorten komen alleen in een smalle strook in de Great Plains naast elkaar voor, van Zuid-Manitoba en de Dakota's tot West-Texas; zwijgende vogels laat je daar onbenoemd. De oosterse phoebe mist duidelijke vleugelstrepen en wipt voortdurend met de staart, wat de piewie niet doet. De kleine feetiran is kleiner, heeft een witte oogring en een kortere vleugelpunt; de beukenfeetiran is groener, met een gele oogring en een geheel bleke ondersnavel, en roept een explosief pietsa.
Leefgebied
Loofbos en gemengd bos met een open onderlaag, van uitgestrekt bos tot kleine bosjes, houtwallen, dennenaanplant, parken en bossige woonwijken. Hij heeft vooral vrije tussenruimte in de middelste boomlaag nodig om vanaf te jagen; dichte struiklaag maakt een perceel ongeschikt. Ook bosranden langs beken en wegen worden gebruikt. In de winter zit hij in bosranden en secundair bos in het Andesgebied van Noordwest-Zuid-Amerika.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt van Zuid-Manitoba, Ontario en Quebec tot de Maritimen, en zuidwaarts door het hele oosten van de Verenigde Staten tot Oost-Texas, de Golfkust en Noord-Florida; de westgrens loopt door de oostelijke Great Plains. Hij komt laat aan, van eind april tot begin juni, en vertrekt in augustus en september. De overwintering ligt in Colombia, Venezuela, Ecuador, Peru en het westen van Brazilië en Bolivia; de trek gaat over Mexico, Midden-Amerika en deels over de Caraïben. Doortrekkers zijn in Florida en op de Bahama's en Cuba talrijk.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in juni in een open loofbos staan en luister naar het trage pie-a-WIE; de vogel zingt ook op het heetst van de dag door, als het bos verder stil is. Zoek daarna op stemhoogte in de middelste boomlaag naar een rechtop zittende vogel die steeds naar dezelfde tak terugkeert. Bij twijfel met de oosterse phoebe: kijk naar de staart — blijft die stil, dan is het de piewie.
Staat van instandhouding
De soort valt onder de categorie niet bedreigd (LC) van de Rode Lijst; Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ruim tien miljoen vogels. De Noord-Amerikaanse broedvogeltellingen laten sinds 1966 niettemin een afname van ruwweg een derde tot de helft zien. Een veel onderzochte verklaring is de begrazing van de kruid- en struiklaag door te hoge aantallen witstaarthert, die de structuur van de bosbodem en daarmee het insectenaanbod verandert; daarnaast spelen bosverlies in het overwinteringsgebied en de afname van vliegende insecten. Botsingen met verlichte torens en gebouwen kosten tijdens de nachttrek vogels.
Wetenschappelijke naam
Contopus virens | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Muscicapa virens; omdat ze later naar een ander geslacht ging, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Contopus werd in 1855 ingevoerd door Jean Cabanis, naar het Griekse kontos 'kort' en pous 'voet'. De soortnaam virens is Latijn voor 'groenend, groen', naar het olijfgroene kleed. Het beschreven exemplaar kwam uit Carolina. Piewie, pewee en pibí zijn in alle drie de talen weergaven van de zang van deze soort.




