Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Westelijke bospiewie
Westelijke bospiewie | Contopus sordidulus
Western Wood-Pewee | Pibí Occidental
De westelijke bospiewie is de gewone kleine piewie van het westen van Noord-Amerika: grijsbruin, met lange vleugels, een puntige kruin en twee vage vleugelstrepen. Uiterlijk is hij vrijwel niet van de oostelijke bospiewie te scheiden; het onderscheid berust vrijwel volledig op de zang. Hij broedt van Alaska tot Midden-Amerika en overwintert in Zuid-Amerika.
Geluid
De zang is een schor, nasaal en door en door raspend brzjieeer, dat als één toon begint en van begin tot eind daalt, alsof er iets in de toon meetrilt; hij wordt vaak elke paar seconden herhaald, ook in het halfduister voor zonsopgang en na zonsondergang. De ochtendzang voegt daar een driedelige inleiding aan toe, ongeveer tswie-tie-tiet, gevolgd door hetzelfde dalende pieeer. Hij fluit nooit de heldere, in lettergrepen gescheiden pie-a-wie van de oostelijke soort. De roep is een droge tsjip.
Opname: Greg Irving — CC BY-NC-SA 4.0 · Wenas Campground, WA, United States · xeno-canto
Herkenning
Een middelgrote tiran met een puntige, hoekige kruin, lange vleugels waarvan de punten ver over de staartbasis reiken, en een rechte, rustig gehouden staart. De bovendelen zijn grijsbruin, de onderdelen vuilwit met grijze vegen op borst en flanken die als een half dichtgeknoopt vest uitvallen. De vleugelstrepen zijn bleek en smal; een oogring ontbreekt of is nauwelijks zichtbaar. De snavel is grotendeels donker, met alleen aan de basis van de ondersnavel wat geel. Na een jachtvlucht keert hij naar dezelfde tak terug en schudt daarbij kort met de vleugels.
Verwarringssoorten
De oostelijke bospiewie is in het veld niet op kleed te scheiden; alleen de zang is betrouwbaar. De oostelijke fluit een helder, in lettergrepen gescheiden pie-a-WIE, met de middelste lettergreep omhoog en de laatste omlaag, afgewisseld met een langgerekt dalend pie-oer; de westelijke geeft één schor, nasaal brzjieeer zonder heldere fluittoon. De arealen raken elkaar alleen in een smalle strook in de Great Plains, van Zuid-Manitoba en de Dakota's tot West-Texas; zwijgende vogels daar en op de trek blijven het beste onbenoemd. Van feetirannen van het geslacht Empidonax is hij te scheiden door de langere vleugelpunt, de zwakke vleugelstrepen en het ontbreken van een duidelijke oogring; de wilgenfeetiran is kleiner, korter van vleugel en roept een scherp fitz-bjoe. De grote piewie is veel groter, met kuif en een geheel oranje ondersnavel.
Leefgebied
Open bos en bosrand met grote bomen en een vrije onderlaag: espenbos, dennen-eikenbos, ponderosadennenbos, pinyon (laaggroeiende den van de droge zuidwestelijke bergvoeten)-jeneverbes, en vooral populier-wilgenbos langs beken en rivieren in het droge westen. Hij vermijdt gesloten kroondak en jaagt vanaf vrije takken op middelhoogte. In tuinen, parken en langs stadsbeken broedt hij ook, zolang er hoge bomen met open ruimte eronder staan. In de winter zit hij in bosranden en secundair bos in het noordwesten van Zuid-Amerika.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedvogel van Midden-Alaska, Yukon en Brits-Columbia door het hele westen van de Verenigde Staten tot Zuid-Californië, Arizona en New Mexico, oostwaarts tot de Dakota's en West-Nebraska, en zuidwaarts door de Sierra Madre van Mexico. In de Verenigde Staten is hij zuivere zomervogel: aankomst eind april en mei, vertrek vóór half oktober. De overwintering ligt in Noordwest-Zuid-Amerika, van Colombia en Venezuela tot Peru en Bolivia; Mexico en Midden-Amerika worden in brede stroom doorkruist. West-Texas heeft kleine broedpopulaties in de Davis en Guadalupe Mountains, maar de meeste Texaanse vogels zijn doortrekkers.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Je vindt hem in juni het snelst in populierenbos langs een beek: ga bij het eerste licht staan en wacht op het schorre, dalende brzjieeer, dat hij in de schemering blijft herhalen als de meeste zangvogels al zwijgen. Gebruik in de Great Plains uitsluitend geluid om hem van de oostelijke bospiewie te scheiden, en neem de vogel op als je twijfelt. Let verder op de lange vleugelpunt en het ontbreken van een oogring om feetirannen uit te sluiten.
Staat van instandhouding
De soort staat in de categorie niet bedreigd (LC) van de Rode Lijst; Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ruim negen miljoen vogels. De Noord-Amerikaanse broedvogeltellingen laten sinds 1966 een gestage afname zien, in de orde van één procent per jaar. Genoemde oorzaken zijn de achteruitgang van beekbegeleidend populier-wilgenbos in het droge westen door begrazing, waterwinning en rivierregulering, en de algemene afname van vliegende insecten. Het overwinteringsgebied in de Andes is slecht bemeten.
Wetenschappelijke naam
Contopus sordidulus | Sclater, 1859
Philip Lutley Sclater beschreef de soort in 1859 al in het geslacht Contopus, zodat auteur en jaartal zonder haakjes staan. Het geslacht was in 1855 door Jean Cabanis ingevoerd, naar het Griekse kontos 'kort' en pous 'voet'. De soortnaam sordidulus is een Latijnse verkleinvorm van sordidus 'vuil', dus 'ietwat vuilkleurig', naar het grijsbruine kleed. Het beschreven exemplaar kwam uit Orizaba in Mexico. De naam piewie is in alle drie de talen een weergave van het gerekte fluitgeluid van het geslacht, dat juist deze soort niet geeft.




