Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Prairiebuizerd
Prairiebuizerd | Buteo swainsoni
Swainson's Hawk | Busardo chapulinero
De prairiebuizerd is de slanke, langvleugelige buizerd van het open westen en maakt een van de langste trekreizen van alle Noord-Amerikaanse roofvogels: van de Canadese prairie tot de pampa's van Argentinië. Buiten de broedtijd leeft hij bijna uitsluitend van insecten, die hij in de vlucht vangt en opeet.
Kleedvormen

Geluid
De alarmroep is een schel, langgerekt krieeee van twee tot drie seconden, dat aan het eind wegsterft; hij wordt zittend zowel als vliegend gegeven, meestal tegen een indringer bij het nest. Het vrouwtje roept een kortere, lagere versie wanneer het mannetje met prooi aankomt. Bij de paring klinkt een zacht wieee. Verdedigen beide vogels de grens van hun terrein, dan gaat dat met een kort pi-tik, pi-tik tijdens de achtervolging.
Opname: Sue Riffe — CC BY-NC-SA 4.0 · Burnt Mill Rd, Pueblo County, Colorado, United States · xeno-canto
Herkenning
Een grote maar smal gebouwde buizerd met lange, aan het eind spitse vleugels en een betrekkelijk korte staart; zwevend houdt hij de vleugels in een ondiepe V. Bij de lichte vorm, veruit de gewoonste, is de borst donkerbruin of roodbruin en de buik licht, met een scherpe scheiding ertussen; de meeste mannetjes hebben een grijze kop, vrouwtjes een bruine. Van onderen is het beeld kenmerkend: witte ondervleugeldekveren tegen zwartachtige slagpennen, zodat de achterrand van de vleugel een brede donkere band vormt. Donkere vogels lopen van roodbruin tot vrijwel zwart en missen dat contrast; ten oosten van de Rocky Mountains is vrijwel alles licht, in het westen is meer dan een tiende donker. Jonge vogels zijn bleker en fijn gestreept, en het vrouwtje is groter dan het mannetje.
Verwarringssoorten
De roodstaartbuizerd is zwaarder gebouwd, met brede afgeronde vleugels, een kortere en bredere staart en een donkere band over de buik in plaats van over de borst. De ruigpootbuizerd heeft juist een zwarte buikvlek, zwarte polsvlekken en een witte staartbasis, en zijn poten zijn tot op de tenen bevederd. Bij donkere vogels helpt de vorm meer dan de kleur: de prairiebuizerd is smaller van vleugel en spitser van hand dan elke andere buizerd van het gebied. De bandstaartbuizerd houdt de vleugels ook in een V, maar heeft een langere, duidelijk gebandeerde staart en wiegt voortdurend in plaats van stabiel te zweven.
Leefgebied
Open land: kortgrasprairie, steppe en sagebrush (grijsgroen alsemstruweel van het droge westelijke binnenland), en vooral ook het boerenland dat daarvoor in de plaats is gekomen. Hij jaagt boven hooiland, luzerne, graan en akkers en broedt in een losstaande boom of een boomgroepje aan de rand daarvan, vaak langs een beek. Hoog opgaand bos en gesloten landschap mijdt hij; wat hij nodig heeft is één boom om in te nestelen met kilometers open grond eromheen. Op trek en in de winter volgt hij het insectenaanbod, wat hem naar pas gemaaid of geploegd land brengt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedvogel van het westen van Noord-Amerika, van de Canadese prairieprovincies en het binnenland van Brits-Columbia zuidwaarts door de Great Plains en het Grote Bekken tot in Noord-Mexico, oostwaarts tot West-Minnesota. Vrijwel de hele populatie trekt naar de pampa's van Argentinië, Uruguay en Zuid-Brazilië — buiten het gidsgebied — in groepen van honderden tot duizenden vogels, die zich boven Mexico en de landengte van Midden-Amerika samenballen tot een van de dichtste roofvogelstromen ter wereld. In het najaar passeren bij Veracruz honderdduizenden vogels binnen enkele weken. Kleine aantallen blijven hangen in Zuidoost-Florida en langs de kust van Texas; vogels uit de Californische Central Valley overwinteren in West-Mexico en Midden-Amerika.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in september naar een telpost op de trekroute en let op de vorm van de groep zelf: prairiebuizerds schroeven in dichte, draaiende zuilen omhoog — een 'ketel' — en glijden daarna in een lange sliert naar de volgende thermiekbel. In de broedtijd wordt hij vaak langs prairiewegen gezien: hij zit laag op een hekpaal of zelfs op de grond in een pas gemaaid veld, tussen de sprinkhanen. Let bij elke zwevende buizerd boven open land op de ondiepe V en de brede donkere achterrand van de vleugel.
Staat van instandhouding
De wereldpopulatie wordt op ongeveer 900.000 vogels geschat en neemt sinds 1966 met ruim één procent per jaar toe; de soort geldt als niet bedreigd (LC). In de jaren negentig doodden de bestrijdingsmiddelen monocrotofos en dimethoaat, in Argentinië tegen sprinkhanen ingezet, duizenden overwinterende prairiebuizerds op de ene slaapplaats na de andere; na verbodsbepalingen is die sterfte sterk teruggelopen. Omdat vrijwel de hele soort in hetzelfde winterareaal samenkomt, werkt één ingreep daar meteen op het geheel door.
Wetenschappelijke naam
Buteo swainsoni | Bonaparte, 1838
Bonaparte beschreef de soort in 1838 als Buteo Swainsoni; de naam eert de Britse natuuronderzoeker en illustrator William Swainson. Het geslacht Buteo werd in 1799 ingevoerd door Lacépède, naar het Latijnse buteo, de klassieke naam voor een buizerdachtige roofvogel. Bij de beschrijving is geen typelocatie vastgelegd. De Nederlandse naam verwijst naar de prairie, het landschap waarin de soort in Noord-Amerika het talrijkst broedt.




