Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Ransuil
Ransuil | Asio otus
Long-eared Owl | Búho chico
De ransuil is een slanke nachtuil met lange, dicht bij elkaar staande oorpluimen en oranjegele ogen. Overdag drukt hij zich roerloos tegen een stam in een dichte spar of wilg, waar hij nauwelijks van de schors is te onderscheiden. In de winter slapen ransuilen in gezelschap, soms met tientallen in één bosje — vrijwel het enige moment waarop deze onopvallende vogel regelmatig wordt gezien.
Geluid
Het mannetje roept een diepe, zachte hoe, telkens met twee tot vier seconden ertussen en soms honderden keren achtereen; op een windstille nacht draagt die roep meer dan een kilometer ver. Het vrouwtje antwoordt hoger, zwakker en nasaler, als een blikken fluitje. Bij het nest klinken daarnaast blaffende en miauwende geluiden, en bij verstoring een droge klap van de vleugels onder het lichaam. De jongen bedelen met een langgerekt, knarsend psjie-ip dat algemeen wordt vergeleken met een hek op een roestig scharnier; dat geluid verraadt in juni bijna elk broedgeval.
Opname: Jean Pierre Sciolla — CC BY-NC-SA 4.0 · Arrondissement de Castres (near Caucalières), Tarn, Occitanie, France · xeno-canto
Herkenning
Een middelgrote, slanke uil met lange oorpluimen die midden op de kop dicht bij elkaar staan en meestal rechtop worden gedragen. Het smalle gezicht is roestoranje, met een witte verticale figuur tussen de oranjegele ogen die als een smalle X oplicht. De onderdelen zijn okerbruin met lengtestrepen waar dwarsstreepjes doorheen lopen, zodat een visgraatpatroon ontstaat. Mannetje en vrouwtje zien er gelijk uit; het vrouwtje is gemiddeld zwaarder en donkerder. In de vlucht is de vleugel lang en smal, met een roestoranje vlak aan de basis van de handpennen en een donkere vlek op de pols; de oorpluimen liggen dan plat en zijn niet te zien.
Verwarringssoorten
De velduil is even groot maar bleker en meer okergeel, met gele ogen in een zwart veld, nauwelijks zichtbare oorpluimen en strepen die tot de borst beperkt blijven; hij jaagt bovendien vaak al in het laatste daglicht, terwijl de ransuil pas na zonsondergang vertrekt. De Amerikaanse oehoe (Bubo virginianus) is twee keer zo zwaar, heeft ver uiteenstaande oorpluimen en is op de buik dwars gebandeerd in plaats van gestreept. De schreeuwuilen zijn minder dan de helft zo lang en veel gedrongener van bouw, met een grote kop op een korte staart. Wie een uil in een dichte spar aantreft: de ransuil maakt zich bij nadering lang en dun en drukt de oorpluimen omhoog, een houding die geen van de andere twee aanneemt.
Leefgebied
Hij heeft twee dingen tegelijk nodig: een dichte opstand om in te slapen en te broeden, en open land om boven te jagen. De slaapplaats is meestal een groepje sparren, jeneverbessen, wilgen of populieren; gejaagd wordt laag boven grasland, ruigte, weiland en sagebrush (grijsgroen alsemstruweel van het droge westelijke binnenland), zoekend op gehoor. Zelf bouwt hij geen nest, maar gebruikt oude nesten van kraaien, eksters of roofvogels, en soms een holte in een rotswand. Gesloten hoogbos zonder open terrein ernaast mijdt hij, en in het droge westen is hij vrijwel gebonden aan boomgroepen langs beken.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
De soort komt rond het hele noordelijk halfrond voor; in Noord-Amerika broedt hij van zuidelijk Yukon en de Mackenzie-vallei tot Californië en New Mexico. Een brede middenzone van Brits-Columbia en zuidelijk Ontario tot het Grote Bekken en New England herbergt het hele jaar vogels, terwijl de noordelijke broedvogels zuidwaarts trekken tot de Golfkust en centraal Mexico. De trek is onregelmatig en volgt de woelmuizenstand: in een goed muizenjaar blijven veel vogels noordelijk, in een slecht jaar schuiven ze ver door, en slaapplaatsen zitten dan het ene jaar vol en het volgende leeg. In het oosten van de Verenigde Staten is hij als broedvogel sterk afgenomen met het verdwijnen van hooiland, houtwallen en kleine bosjes.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek in de winter onder dichte naaldhoutsingels en windsingels naast open akkers: onder een slaapboom liggen witte spetters en een tapijt van braakballen van vijf tot acht centimeter. Kijk van een afstand omhoog langs de stam — de vogels zitten vaak vlak tegen het hout, hoog in de kroon en met de rug naar de open kant. Een slaapplaats wordt verlaten als er onder de bomen wordt gelopen, dus blijf op de weg of aan de rand van het perceel.
Staat van instandhouding
De soort is wereldwijd niet bedreigd (LC); Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) raamt de broedpopulatie op ongeveer 520.000 vogels en geeft de soort een middenscore voor zorg; de trend is moeilijk vast te stellen, omdat een nachtelijke, zwervende uil op de reguliere broedvogeltellingen nauwelijks wordt geregistreerd. Aanwijzingen voor achteruitgang zijn er wel, vooral waar beekbegeleidend bos en losse boomgroepen in het droge westen verdwijnen. Omdat hij zelf geen nest bouwt, hangt hij af van de aanwezigheid van kraaien en eksters; manden en korven van gaas in dichte bomen worden geaccepteerd.
Wetenschappelijke naam
Asio otus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Strix Otus, bij de bosuilen; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Asio werd in 1760 ingevoerd door Brisson; asio was bij de Romeinse schrijver Plinius de naam van een uil met oorpluimen. De soortnaam otus gaat terug op het Griekse ōtos, dat eveneens 'uil met oren' betekent, zodat geslacht en soort in A. otus tweemaal hetzelfde kenmerk noemen. Het beschreven exemplaar kwam uit Europa; de typelocatie is later beperkt tot Zweden, naar Linnaeus' Fauna Svecica.




