Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Sneeuwuil
Sneeuwuil | Bubo scandiacus
Snowy Owl | Búho nival
De sneeuwuil is de zwaarste uil van Noord-Amerika en de enige die op klaarlichte dag midden op een besneeuwd veld zit. Hij broedt op de grond in de hoogarctische toendra, en in goede lemmingjaren stuurt hij duizenden jonge vogels ver naar het zuiden — tot in Texas en op Bermuda.
Geluid
Buiten het broedgebied vrijwel zwijgzaam: een overwinteraar wordt gezien, niet gehoord. Op de toendra roept het mannetje een diep, dof dreunend hoe... hoe, twee tot zes tonen die kilometers ver over open land dragen en waarmee hij zijn territorium afbakent. Het vrouwtje hoot zelden en klinkt hoger. Bij verstoring op het nest volgt een blaffend krèf-guh-guh-guk, met gekras, gesis en snavelgeklap; jongen bedelen met een schril fluitje.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een zware, rondkoppige uil zonder oorpluimen, met een klein zwart snaveltje diep in de witte bevedering en doordringend gele ogen. Oude mannetjes zijn bijna zuiver wit; vrouwtjes en jonge vogels zijn wit met dichte donkere dwarsbanden, het zwaarst bij jonge vrouwtjes. Bij vrijwel elke vogel blijven kruin, gezicht en keel wit, en dat scheidt het silhouet van al het andere. De vlucht is laag, krachtig en bijna meeuwachtig, met trage slagen en lange glijstukken.
Verwarringssoorten
De Amerikaanse oehoe (Bubo virginianus) toont in de bleke prairievorm veel wit, maar heeft altijd oorpluimen, een donker dwarsgebandeerde onderzijde en een gesloten gezichtssluier. De witte fase van de giervalk zit even wit op een paal, maar heeft een spitse valkenkop, donkere ogen en gepunte vleugels. De Amerikaanse kerkuil oogt in koplampen sneeuwwit van onderen, maar weegt een fractie en heeft een hartvormig gezicht en zwarte ogen.
Leefgebied
Broedt op de open hoogarctische toendra, op een droge verhoging met uitzicht — een keienrug, een pingo, een oeverwal. In de winter zoekt hij het landschap dat daar het meest op lijkt: vlakke akkers, kustduinen, dijken, havenpieren en vooral vliegvelden, waar kort gras en muizen jaar na jaar dezelfde vogels terugbrengen. Bos mijdt hij volledig.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedvogel van arctisch Alaska, de Canadese arctische archipel, de kust van Nunavut en Noord-Groenland, waar hij tot in Peary Land komt; op Groenland houdt de ijskap hem beperkt tot de ijsvrije noord- en noordoostrand. Buiten de broedtijd is hij nomadisch: satellietzenders laten vogels zien die het ene jaar op Baffineiland broeden en het volgende duizend kilometer verderop, en een deel van de populatie trekt juist noordwaarts en overwintert op het pakijs, jagend op eenden en alken bij open wakken. Zuidwaarts reikt hij in gewone winters tot de Great Lakes en New England, in invasiejaren tot Texas, Florida en Bermuda.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem overdag en van veraf: scan met de telescoop de horizon van een vlak akkerland op een witte bult die niet in het patroon past — een sneeuwuil zit uren onbeweeglijk op de grond of op een lage paal. Vliegvelden en zeedijken leveren de meeste winterwaarnemingen op. Blijf op afstand: een uil die telkens weer moet opvliegen verbrandt energie die hij op deze breedte niet kan missen.
Staat van instandhouding
Sinds 2017 staat de sneeuwuil als Kwetsbaar (VU) op de Rode Lijst. Bij herberekening bleek de wereldpopulatie veel kleiner dan lang werd aangenomen — zo'n 14.000 tot 28.000 volwassen vogels — en over het laatste kwart eeuw is ongeveer een derde verdwenen. De oorzaak ligt in het noorden: zachtere winters verstoren de lemmingcycli waarvan zijn broedsucces volledig afhangt. In het zuiden sneuvelen overwinteraars door aanrijdingen, rodenticiden en hoogspanningsdraden.
Wetenschappelijke naam
Bubo scandiacus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Strix scandiaca, bij de uilen in ruime zin; omdat ze later naar Bubo verhuisde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Bubo werd in 1805 ingevoerd door Duméril. Bubo is het Latijnse woord voor de oehoe, een klanknabootsing van zijn roep; scandiacus is neolatijn voor 'van Scandinavië'. Linnaeus gaf als typelocatie 'Habitat in Alpibus Lapponiae', het Laplandse berggebied, en werkte daarbij naar een tekening van Rudbeck en niet naar een balg. Lang stond de soort in een eigen geslacht Nyctea, tot DNA-onderzoek haar bij de oehoes terugbracht.




