Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Holenuil

Holenuil | Athene cunicularia

Burrowing Owl | Lechuza Terrestre

De holenuil is de uil die je overdag ziet: rechtop op een aardhoop of een paaltje, op lange poten, met gele ogen boven een korte staart. Hij broedt onder de grond, in de gangen die prairiehonden en grondeekhoorns groeven, en is daarmee de enige Noord-Amerikaanse uil die voor zijn nest van een zoogdier afhangt.

Holenuil (Athene cunicularia)
Foto: DianesGomes — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang van het mannetje is een zacht, kwartelachtig tweelettergrepig koe-koeoeoe, in de avond en 's nachts vanaf de rand van de holingang. Rond het nest klinken daarnaast gekakel, gekwetter, een scherp tsjek als alarm en een schel geschreeuw wanneer een indringer te dichtbij komt. In het nauw gedreven in de gang maken de jongen een droge, zoemende ratel die sterk lijkt op de waarschuwing van een ratelslang. Buiten deze gelegenheden is de soort tamelijk zwijgzaam.

Luister: ZangXC1106113

Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · Buckeye, Maricopa County, Arizona, United States · xeno-canto

Herkenning

Klein en rond van kop, zonder oorpluimen, met lange, dunne poten en een korte staart — een uil op stelten. Het verenkleed is bruin, dicht bezaaid met zandkleurige vlekken; de borst is gevlekt, de buik gebandeerd, en het gezicht toont witte wenkbrauwstrepen en een witte kinvlek boven gele ogen en een gele snavel. Man en vrouw zijn gelijk getekend, al verbleken mannetjes in de zon terwijl het vrouwtje ondergronds broedt. Jonge vogels zijn veel minder getekend, met ongevlekte roomgele onderdelen. In de vlucht zijn de vleugels lang en jaagt hij in een lage, zwevende, golvende baan over de grond; staand knikt hij bij onraad snel met het hele lichaam op en neer.

Verwarrings­soorten

Geen andere uil van open, boomloos terrein zit overdag rechtop op de grond. De dwerguilen van het geslacht Glaucidium zijn kleiner, kortpotig en blijven in bomen; de schreeuwuilen van het geslacht Megascops hebben oorpluimen en houden zich in bosjes op. Op afstand wordt een holenuil op een paaltje verward met een Amerikaanse torenvalk, maar die heeft een lange staart en spitse vleugels en staat nooit op de grond te wachten. Laag jagend boven de vlakte lijkt hij op een kleine velduil, die echter veel groter is, veel langer van vleugel en van onderen gestreept in plaats van gevlekt.

Leefgebied

Open, vlak terrein met korte of schaarse begroeiing: kortgrasprairie, kaalgegraasd weiland, woestijnvlakte, sagebrush (grijsgroen alsemstruweel van het droge westelijke binnenland) en de bermen van akkers en vliegvelden. Beslissend is niet de plantengroei maar de aanwezigheid van gravende zoogdieren — prairiehondenkolonies, grondeekhoorns, dassen — want de uil graaft zelf nauwelijks. Hoog gras en oprukkende struiken mijdt hij: vanaf zijn holingang moet hij ver kunnen kijken. In Florida gebruikt hij golfbanen, vliegveldranden en braakliggende bouwkavels, en daar graaft hij wél zelf een gang in het losse zand.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Van het zuiden van de Canadese prairieprovincies door het hele westen van de Verenigde Staten tot diep in Mexico, met een aparte populatie in Florida en op Cuba, de Bahama's en Hispaniola; zuidelijker loopt de soort door tot in Patagonië. De noordelijke broedvogels trekken weg en overwinteren van Texas en de Golfkust tot in Mexico, terwijl vogels in Californië, het zuidwesten en Florida het hele jaar blijven. In de twintigste eeuw is het areaal langs de noord- en oostrand sterk ingekrompen, in het spoor van het opruimen van prairiehondenkolonies: uit Manitoba, Minnesota en Iowa is hij vrijwel verdwenen. In Florida gebeurde het omgekeerde en breidde hij zich uit toen bos plaatsmaakte voor gemaaide, open grond.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Rijd in de late namiddag langzaam over een grindweg door prairie of weiland en zoek de paaltjes en de aardhopen af: een holenuil verraadt zich door een verticaal silhouet dat te klein is voor een valk en te lang voor een prairiehond. Anders dan de meeste uilen is hij overdag actief, dus vroeg opstaan is niet nodig. Blijf in de auto — die accepteert hij op korte afstand, terwijl een uitstappende waarnemer hem meteen de gang in jaagt.

Staat van instandhouding

De soort is wereldwijd niet bedreigd (LC); de wereldpopulatie wordt op ongeveer achttien miljoen vogels geschat, maar in Noord-Amerika loopt hij terug: sinds 1966 zo'n 3,5 procent per jaar in Canada en op sommige plaatsen ruim 4 procent per jaar in de Verenigde Staten. De oorzaken zijn het omploegen van prairie, het bestrijden van prairiehonden, aanrijdingen en bestrijdingsmiddelen die zijn insectenprooi wegnemen. In Canada geldt hij als bedreigd; op veel plaatsen worden kunstmatige nestgangen ingegraven om kolonies bijeen te houden.

Wetenschappelijke naam

Athene cunicularia | (Molina, 1782)

Molina beschreef de soort in 1782 als Strix Cunicularia, bij de uilen die toen nog in één geslacht stonden; omdat ze later naar een ander geslacht is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Athene verwijst naar Athena, de Griekse godin aan wie de uil was toegewijd. cunicularia is Latijn voor 'de gravende', van cuniculus, konijn of ondergrondse gang — precies waar de vogel in woont. De typelocatie is Chili.