Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Zaaguil
Zaaguil | Aegolius acadicus
Northern Saw-whet Owl | Tecolote Oyamelero Norteño
De zaaguil is een van de kleinste uilen van Noord-Amerika en tegelijk een van de talrijkste, maar tot ver in de twintigste eeuw gold hij als zeldzaam: hij is zo klein, zo stil en zo strikt nachtelijk dat niemand wist hoeveel er waren. Pas toen vangststations in het najaar met mistnetten en afgespeelde roep honderden vogels per nacht begonnen te ringen, bleek dat er een brede trekstroom door het oosten van het continent loopt.
Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.
Geluid
De zang is een eindeloos herhaald toe-toe-toe-toe, gelijkmatig van toonhoogte en in een tempo van ongeveer twee noten per seconde, uren achtereen volgehouden. Een zingend mannetje is bij stil weer op bijna een kilometer te horen; hij begint eind januari en houdt tot in mei aan. De Engelse naam saw-whet gaat terug op een ander geluid uit zijn repertoire, dat men met het wetten van een zaag op een slijpsteen vergeleek; de Nederlandse naam volgt diezelfde vergelijking. Verder hoort men gejank, keelklanken, hoge tsjst-tonen, piepjes en korte blaffen, en bij verstoring een snel klapperen met de snavel.
Opname: Diana Doyle — CC BY-SA 4.0 · Sunny Flat CG, Cave Creek Canyon, Cochise County, Arizona, United States · xeno-canto
Herkenning
Een zeer kleine uil met een groot, rond hoofd zonder oorpluimen en een korte staart. De bovendelen zijn warm bruin met witte vlekken op vleugel en schouder, de onderdelen wit met brede roodbruine strepen, en het voorhoofd draagt fijne witte streepjes. De gezichtssluier is licht, met bruine en roomkleurige stralen rond grote gele ogen, en heeft geen donkere omlijsting; de snavel is zwart. Jonge vogels zien er heel anders uit: donkerbruine kop en vleugels, roestkaneelkleurige onderdelen en een opvallende witte V tussen de ogen. Ook hier is het vrouwtje zwaarder dan het mannetje, gemiddeld honderd tegen vijfenzeventig gram.
Verwarringssoorten
De ruigpootuil (Aegolius funereus) is de naaste verwante en in het noorden het grootste struikelblok: die is groter, heeft een bleke hoornkleurige snavel in plaats van een zwarte, ronde witte stippen op de kruin in plaats van streepjes, en een donkere rand om de gezichtssluier. De schreeuwuilen (Megascops) zijn groter en hebben oorpluimen. Jonge zaaguilen met hun roestbruine buik zijn in juli en augustus al voor volwassen vogels van een andere soort aangezien. De zang scheidt de twee Aegolius-soorten hoe dan ook: bij de zaaguil loopt de reeks eindeloos door, bij de ruigpootuil stopt ze na hooguit twintig noten.
Leefgebied
Oud en halfoud bos met een open onderlaag om in te jagen, loofbomen met holten om in te broeden en dichte naaldbomen om overdag in te slapen — die drie samen vindt hij van de boreale gordel tot in de bergbossen van het westen en in de Appalachen. Hij broedt ook in moerasbos en in sterk verstoord bos en neemt nestkasten graag aan. In de winter zit hij in dichte naald- of struikopstanden dicht bij water, soms op maar drie meter hoogte in een jeneverbes. Open landschap zonder dekking mijdt hij, en anders dan de velduil is hij overdag nooit jagend te zien.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel of korteafstandstrekker van zuidelijk Alaska en het zuiden van Canada zuidwaarts door het westen tot Arizona, New Mexico en de bergen van midden-Mexico, en in het oosten tot de Appalachen van West Virginia, west-North Carolina en oost-Tennessee. Een deel van de vogels blijft het hele jaar, een deel zakt in de winter naar het zuiden, tot in Nebraska, Kansas, Missouri, Kentucky en Delaware. Hoeveel er trekken verschilt sterk van jaar tot jaar en hangt samen met de muizenstand in het broedgebied. De ondersoort van Haida Gwaii voor de kust van Brits-Columbia trekt helemaal niet.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek een zingend mannetje eind maart of in april, een paar uur na zonsondergang, langs een bosrand bij een moeras; de reeks is zo monotoon dat je hem gemakkelijk voor een verre kikker of een piepende alarminstallatie houdt. Overdag loont het op mobbende mezen en gaaien te letten: een groepje dat zich schreeuwend om één dichte spar verzamelt, heeft vaak een slapende zaaguil gevonden. Speel in het broedseizoen geen geluid af.
Staat van instandhouding
De broedpopulatie wordt op ongeveer twee miljoen vogels geschat en de soort geldt als niet bedreigd. Plaatselijk gaat ze wel achteruit waar oud bos met holten verdwijnt; in North Carolina is ze als bedreigd aangemerkt nadat de hemlockwolluis de hooggelegen naaldbossen aantastte, en de ondersoort van Haida Gwaii is klein en kwetsbaar. Het laten staan van dode bomen en het ophangen van nestkasten zijn de gewoonste maatregelen.
Wetenschappelijke naam
Aegolius acadicus | (Gmelin, 1788)
Johann Friedrich Gmelin beschreef de soort in 1788 als Strix acadica, naar een beschrijving van Latham; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. acadicus betekent 'van Acadië', de oude naam voor Nova Scotia en omgeving, waartoe de typelocatie later werd beperkt. Het geslacht Aegolius werd in 1829 ingevoerd door Kaup, naar het Latijnse woord voor een nachtuil, ontleend aan het Griekse aigolios. A. acadicus deelt dat geslacht met de ruigpootuil, waarmee hij ook in het veld het meest wordt verward.




